De laatste tien Surahs, hun achtergronden en verbanden

INLEIDING  (door Mariam)
De tien hoofdstukken aan het einde van de Quran zijn onderling heel mooi verbonden en vormen één samenhangende redenering. Daar hebben we misschien nog nooit op gelet omdat we de verschillende Soera’s apart reciteren, en omdat het verband er ook niet echt vingerdik op gesmeerd ligt… Iemand die op een vlotte en toch degelijke manier de Quran kan uitleggen, zowel qua inhoud als taalkundig, is Nouman Ali Khan. Je vindt hem “all over” youtube, waar enthousiaste toehoorders hele spreekbeurten, maar ook hun favoriete stukjes publiceren en bekommentariëren.
De man heeft zijn enthousiasme over de Quran omgezet in een instituut voor studie van Arabisch en Quran – “al Bayyinah”. Daar vind je lessen over beide onderwerpen. Op zoek naar beter inzicht in wat ik dagelijks in mijn Salaah (vijf dagelijkse gebeden) gebruik, begon ik dus te luisteren naar de lessen op http://bayyinah.com/media/. Zo kwam ik bij het begin van de uitleg voor Soera al Fiel dit  pareltje tegen. Ik heb het integraal (vertaald) neergeschreven om niets van de prachtige uitleg verloren te laten gaan.
Ik geef je hieronder eerst, als smaakmaker, een SCHETS van de logica. Ik raad je echter met aandrang aan de hele uitleg te lezen als je even tijd hebt. De man geeft heel fijne overwegingen en inzichten mee die je niet mag missen. En nog beter is het uiteraard om hem te beluisteren… Zelfs al mis je hier en daar misschien een woord – dan nog zal je merken dat je enorm veel put uit zijn bezielend getuigenis. Je krijgt zin om meer Quran te bestuderen! Dit is de link voor deze specifieke les over de verbanden in dit laatste deel:
http://bayyinah.com/podcast/2010/03/07/105-feel-pt-1/
Uiteraard wordt elke Soera apart nog meer in detail besproken. Zoek het nummer van de Soera in de (indrukwekkende) lijst op:
http://bayyinah.com/media/

__________________________

EEN SNELLE SCHETS

Aan het einde van Soera Humazah (een van de zwaarste beschrijvingen van het Hellevuur in de Quran) staat een waarschuwing voor iedereen die aan een bepaalde beschrijving beantwoordt: “Likulli Humazattil Lumazah”. Met andere woorden, er wordt in universele en algemene termen gesproken.
Maar al is deze boodschap universeel en voor de gehele mensheid bestemd, wie was het eerste publiek? De Quraysh. In Soera Al Fiel zullen we zien hoe Allah een gelijkaardige bestraffing heeft laten neerdalen over het volk van de Olifant, een fractie slechts van de bestraffing in de Hel.
Het conflct vindt hoofdzakelijk plaats in de stad Mekka.  Die stad heeft een lange geschiedenis. Oorspronkelijk heette ze Bekka, en ze is ontstaan door de migratie van Ibrahiem (vrede zij met hem). Het is door zijn gebed (De Edele Quran 2:126) dat de stad is kunnen ontstaan en dat gebed  heeft ook heel veel te maken met wat we in deze laatste tien Soera’s zullen bestuderen. Daarom is het belangrijk dat gebed even te overlopen, zodat we begrijpen waar deze laatste tien Soera’s het over hebben.
Het eerste deel van de Du’a vraagt om vrede en veiligheid voor de stad. Het tweede deel van zijn Du’a was: “Warzuk anhu mina thamaraat” – “Voorzie haar bewoners van allerlei soorten vruchten.” Vruchten verwijst naar voorzieningen … wat wij voorspoed noemen. Dus: zorg dat ze vrede kennen èn voorspoed. In politieke wetenschappen leer je dat een maatschappij niet kan overleven zolang ze niet die twee zaken heeft: vrede en voorspoed.  Ibrahiem (vrede zij met hem) heeft begrepen dat Allah hem tot Imam van dit volk heeft gemaakt. Als je een leider bent, moet je verantwoording afleggen over de mensen onder jou. Hij wil op de Dag des Oordeels geen verantwoording moeten afleggen tegenover Allah voor zijn afstammelingen die mogelijk in Kufr zijn vervallen. Dus zegt hij: “Als U in hun onderhoud voorziet, doe dat dan alleen voor degenen die geloven.” Allah zegt echter: “Nee. Zelfs aan wie niet gelooft zal ik ook een beetje voorzieningen geven.”
We weten allemaal wat er is gebeurd in Soera al Fiel. Onder schijnbaar totaal onmogelijke omstandigheden verhoort Allah nog steeds het gebed van Ibrahim (vrede zij met hem) en Hij bewaart en handhaaft de vrede in die stad. Dat vloeit voort uit het eerste onderdeel van het gebed van Ibrahim (vrede zij met hem).
De volgende Soera is Soera Quraysh. Die gaat hoofdzakelijk over het feit dat de Arabieren zowel in de zomer als de winter naar elke handelszone kunnen gaan die ze verkiezen. De Ka’bah is hun universele vrijgeleide. En daardoor kunnen ze dus letterlijk genieten van “alle soorten fruit”! Nu die twee delen werden verhoord, zegt Allah aan het einde van Surah Quraysh: nu moeten ze zich onderwerpen aan de Meester van “dit Huis” en Hem aanbidden.
Ibrahiem (vrede zij met hem) heeft deze gunsten niet voor àl zijn afstammelingen gevraagd. Nu wordt duidelijk dat de Quraysh de afstammelingen zijn die deze zegeningen niét waardig zijn. Soera al Ma’oen onthult het: “Zie je degene die liegt over het geloof, de wees onrechtvaardig behandelt en zelfs niet het voeden van de armen aanmoedigt? En zelfs als ze bidden, doen ze het voor het oog van de mensen. En ze zijn zo gierig!”
Wie wordt er nu in de volgende Soera, al Kauthar, dan besproken? Degene die wèl waardig is, die wèl de hoeder van dit Huis hoort te zijn: “Inna atteinaka al Kauthar.” – “We hebben jou (O Muhammad) de overvloed aan goed gegeven.” In het tweede vers zegt Allah : “Bid tot je Heer en breng offers”, volgens de nalatenschap van Ibrahiem (vrede zij met hem). En het laatste vers: “inna shanieake huwa ‘l abtar” – iemand wordt tot  vijand van de Profeet (vrede en zegeningen over hem) verklaard: nu duidelijk is wie de waardige kinderen zijn en wie niet, zijn jullie niet langer één enkele familie. Wat jullie tot vijanden maakt, is wat zich in jullie hart bevindt: Iman (geloof) tegenover Kufr (ongeloof).
Daarom legt Soera Al Kaafiroen de reden voor die vijandschap uit. Allah beveelt Muhammad (vrede en zegeningen over hem) openlijk afstand te nemen van zijn volk: “Zeg niet meer ‘Yaa Quraysh… Gebruik die woorden niet meer voor hen, noem ze ongelovigen.” – met de nadruk op wat aan de grondslag van het conflict ligt: “ik aanbid niet wat jullie aanbidden, jullie niet wat ik aanbid…”
Soera Al Kaafiroen kondigt het conflict aan en in de volgende Soera An Nasr wordt de overwinning in dat conflict toegekend aan de Boodschapper (vrede en zegeningen over hem).
Telkens wanneer Allah een grote overwinning of een belangrijk teken zendt aan deze wereld, stuurt Hij voor de komst ervan enkele minder grote tekenen. Soera al Masad vestigt onze aandacht op een van de gemeenste vijanden van de Boodschapper (vrede en zegeningen over hem): Abu Lahab. Zijn vernietiging door Allah is het teken en de garantie voor de uiteindelijke overwinning die eraan komt.
Dan blijven er nu nog drie Soera’s over: het  einde van de Mus’haf…
Wanneer mensen gedurende lange tijd oorlog hebben gevoerd, vergeten ze vaak waarom ze vechten. Ibrahiem (vrede zij met hem) verrichtte een Du’a: “Voor hen die geloven, geef hen voorzieningen. Voor wie niet geloven, voorzie hen niet.” Het conflict situeert zich dus tussen gelovigen en ongelovigen. En als je in één woord wil weergeven waar het Ibrahiem (vrede zij met hem) om te doen was: Tawhied, de uniciteit en eenheid van Allah…
Door Soera al Ikhlaas worden we dus herinnerd aan de agenda van de Ummah, de Tawhied, de nalatenschap van Ibrahiem (vrede zij met hem).
Elke Profeet uit de geschiedenis heeft diezelfde Boodschap gebracht. Maar mettertijd werd het geloof van hun volgelingen zwakker, raakte het vervormd en vervielen ze terug in Shirk. Daarom zendt Allah niet enkel Tawhied, maar ook twee bewakers ervoor.
Soera al Falaq is erop gericht de gelovige te beschermen tegen verderf en slechte invloeden van de buitenwereld. En wat is de slechte invloed van binnenuit? De waswaasa (influisteringen) van Shaytan en de Nafs (eigen ik), maar ook slecht gezelschap. Tegen die slechte innerlijke invloeden worden we beschermd door Soera an Naas.

____________________________

DE VOLLEDIGE LES

De laatste tien Surahs

Hun achtergronden en verbanden

Nouman Ali Khan

We hebben de laatste tien Soera’s van de Quran bereikt. Deze tien houden een verandering van onderwerp in, vergeleken bij wat we tot nu hebben gezien. Soera Humaza, hier net voor, is de laatste Soera die waarschuwt voor het Leven na de Dood. Het Hiernamaals vormt het hoofdonderwerp van Juz’Amma (het laatste dertigste deel van de Quran): beschrijving en waarschuwing.

Hier treedt een belangrijke verandering op. Deze laatste tien behandelen allemaal op een of andere manier iets wat met het leven van de Profeet (vrede en zegeningen over hem) heeft te maken. Ze behandelen bijna allemaal een onderwerp van Asma Bu Nuzun (context van de Openbaring).

In de Quran zijn er heel veel verzen waarvoor er geen verschil in opinie bestaat over hun historische context, maar er zijn ook stukken waarvoor geen welomschreven absolute stelling van de geleerden te vinden is over het tijdstip van de openbaring van dat vers/ die verzen. Er is wel een algemeen kader, zodat we weten dat een tekst uit de vroege of late Mekkaane periode stamt, vroeg of laat Medinees, …  maar we beschikken niet over een bepaald incident dat ermee verband houdt. En zelfs als dat er is, is er vaak geen totale overeenstemming over die enkele overleveringen die we vinden. Wanneer we ons echter in deze laatste tien hoofdstukken verdiepen, zullen we vaststellen dat er ineens veel meer context is, en ook heel wat historische achtergrond.

We willen echter eerst proberen deze overgang aan het einde van de Quran te begrijpen:  van wat naar wat? Aan het einde van Soera Humazah (een van de zwaarste beschrijvingen van het Hellevuur in de Quran) staat een waarschuwing voor iedereen die aan een bepaalde beschrijving beantwoordt: “Likulli Humazattil Lumazah” – iedereen die beantwoordt aan de beschrijving “Humzat” en “Lumazat”. Met andere woorden, er werd in universele en algemene termen gesproken. Maar al is deze boodschap universeel en voor de gehele mensheid, wie was het eerste publiek? De Quraysh.

Het is belangrijk te begrijpen dat, wanneer je in algemene bewoordingen spreekt, vooral tegenover koppige en misdadige mensen, je vaak niet tot hen doordringt zolang je ze niet met de vinger wijst en duidelijk zegt : “Ik heb het over jou! Dit gaat niet in eerste instantie over iemand anders, dit gaat over jou”. Dat is wat in psychologie “deflectie” wordt genoemd. Zelfs Muslims  doen dit. De Khatieb (die de Khutba geeft op vrijdag) zegt “Men mag niet roddelen, je mag niet liegen, je moet eerlijk zijn, mensen horen zus en zo…” Als je het woord “mensen” hoort, denk je “Ja, inderdaad, mensen zouden dat moeten doen. Maar ik ben al goed.” Of “Ik weet wel iemand die deze Khutba eens zou moeten horen!”. Aan wie denk je daarbij niet? Jezelf! Wat in deze verzen gebeurde in de voorgaande verzen, was een algemene boodschap aan de mensheid. Maar nu komt een directe aanspreking van de Quraysh zelf.  Rechtstreeks: “Denk niet aan iemand anders. Denk aan jezelf.”

In de vorige Soera Humazah zagen we een van de kenmerken van het Hellevuur: Hutamah, dat wat vertrappelt en verplettert tot poeder. In deze Soera Al Fiel laat Allah aanvoelen: “Denk maar niet dat die bestraffing zo veraf is! Ik kan dit soort bestraffing, die je verplettert en verstikt, ook in deze wereld brengen!” We zullen in deze Soera zien hoe Allah een gelijkaardige bestraffing heeft laten neerdalen over het volk van de Olifant, een fractie slechts van de bestraffing in de Hel. En hoe wordt die bestraffing omschreven: “Fa ja’aalahum ka’asfi makoel” – letterlijk: verpletterend, ze leken op gekauwd graan.

Voor deze les is het de bedoeling om eerst kort deze overgang te illustreren: van de algemene, universele waarschuwing naar de specifieke, gericht tot de Quraysh. Een tweede bedoeling van deze les  is inzicht te verwerven in wat deze tien Soera’s met elkaar verbindt. Deze tien hoofdstukken aan het einde van de Quran zijn onderling heel mooi op retorische wijze verbonden en vormen één samenhangende redenering . Het zijn geen tien aparte onderwerpen, maar tien aspecten van één onderwerp, tien elementen van één en hetzelfde geheel. We gaan dus proberen te begrijpen wat hen bindt, insh’Allah,en pas volgende week behandelen we dan elk hoofdstuk apart. Het leek me nuttiger voor ons om dit overzicht van het kader te kennen wanneer we aan de studie van deze Soera’s beginnen. Bovendien werden velen van ons sinds we klein waren, of zelfs wie later in zijn leven de Shahada heeft uitgesproken en Muslim is geworden, aangemoedigd om vooral deze Soera’s uit het hoofd te leren. Het  is dus nuttig over een overzicht ervan te beschikken.

Dit conflct, dit ideologisch conflict dat later ook een militair conflict werd, en ook een sociaal en politiek conflict tijdens het leven van de Profeet  (vrede en zegeningen over hem) vindt hoofdzakelijk plaats in de stad Mekka.  Die stad heeft een lange geschiedenis. Oorspronkelijk heette ze Bekka. Deze stad is ontstaan door de migratie van Ibrahiem (vrede zij met hem). Je kan dus stellen dat de stichter van deze stad Ibrahiem is geweest (vrede zij met hem). Jullie kennen allen het beroemde verhaal van zijn tocht en zijn smeekbede. Het is door zIjn gebed dat de stad is kunnen ontstaan.  Diezelfde Du’a heeft heel veel te maken met wat we in deze laatste tien Soera’s zullen bestuderen. Daarom is het belangrijk dat gebed even te overlopen, zodat we begrijpen waar deze laatste tien Soera’s het over hebben.

Deze Du’a van Ibrahim (vrede zij met hem) komt op twee plaatsen in de Quran voor. We zullen er een van uitlichten. Een van de plaatsen is Soera Ibrahim,  uiteraard: het gebed van Ibrahim. De tweede plek waar we het vinden is in Soera Baqarah (vers 126). We zullen een paar elementen van de smeekbede van Ibrahim (vrede en zegeningen over hem) in Soera Baqarah overlopen en ze dan in verband brengen met deze laatste tien Soerahs.

Ibrahim (vrede zij met hem) zegt: “Rabbi ja’al haata baladan aamina…”  – “Mijn Heer, maak dit tot een vredige stad.” Het is duidelijk dat hij het over Mekka  heeft. Er staan in de Quran twee versies van dit gebed. Een andere zegt: “Maak deze stad vredig”, terwijl hij in Soera Baqarah zegt “Maak dit tot een vredige stad”. Een subtiel verschil: maak deze stad vredig, maak dit tot een vredige stad… Het klinkt bijna hetzelfde, maar er is een wezenlijk verschil. De verandering in het taalgebruik geeft ons zelfs een idee van wanneer welk gebed werd verricht.

Toen hij voor het eerst in deze woestijn aankwam, was er toen al een stad? Nee! Hij kijkt dus naar een leegte en zegt  “Rabbi ja’al haata baladan aamina…”  wat betekent “Maak  van dit niets, van deze leegte, van deze woestijnvallei een stad – en maak er niet alleen een stad van, maar een vredige stad, en veilig. En toen hij een paar jaar later terugkwam, was er dan  een stad? Jawel. En dus verandert de Du’a (in Soera Ibrahim):  “Rabbia ja’al haadal balada aamina…”  maak deze stad vredig.

Maar wat belangrijker is, is dat het eerste deel van zijn Du’a vraagt om vrede en veiligheid voor deze stad. Het tweede deel van zijn Du’a was: “Warzuk anhu mina thamaraat” – “Voorzie haar bewoners van allerlei soorten vruchten.” Dat verwijst naar voorzieningen: draag zorg voor hen op financieel vlak, voor hun welzijn. Wat wij voorspoed noemen. Dus: zorg dat ze vrede kennen èn voorspoed.

Heb je ooit de uitdrukking “vrede en voorspoed” gehoord? Dat is de samenvatting van het eerste deel van het gebed van Ibrahim (vrede zij met hem) voor Mekka: geef deze stad vrede en voorspoed. Trouwens, in politieke wetenschappen leer je dat een maatschappij niet kan overleven zolang ze niet twee zaken heeft: vrede en voorspoed. Wat betekent dat? Stel dat je een huis hebt, een zaak, een job, wagen of geld, maar niets daarvan is veilig. Er is geen vrede, geen veiligheid. Die samenleving kan niet overleven. Maar als alles veilig is, en er is overal politie en ordehandhaving, maar je vindt geen werk, geen geld om je gezin te voeden. Ook die samenleving kan niet overleven. Vrede alleen volstaat niet, voorspoed alleen volstaat niet. Voor een gezonde samenleving, die kan functioneren, heb je zowel vrede als voorspoed nodig.

Dat is het genie van Ibrahiem (vrede zij met hem) in deze Du’a, dat hij vraagt om het ene zowel als het andere. Maar dan leren we nog iets anders over Ibrahiem (vrede zij met hem). Hij  maakt zich echt zorgen. Hij heeft begrepen dat Allah hem tot Imam heeft gemaakt. In essentie betekent dat “leider”. Hij heeft dus de leiding gekregen. Alle gelovigen hebben de leiding over hun familie. Daarom bidden wij “Wa ja’alna lil muttaqiena imama” – “maak ons leiders over rechtschapen mensen“. Als je een leider bent, moet je verantwoording afleggen over de mensen onder jou. Je wilt dus dat je ondervraagd zal worden over mensen die goed zijn geweest,  niet slecht. Dus zorgt Ibrahaim (vrede zij met hem) ervoor dat hij vraagt: “Warzuk anhu mina thamaraat, man amana minhum billahi wal yaumi aghir” –   “Voorzie haar bewoners van allerlei soorten fruit, alleen hen die geloven in Allah en de Laatste Dag.” Hij wil op de Dag des Oordeels geen verantwoording moeten afleggen tegenover Allah voor zijn afstammelingen die mogelijk in Kufr zijn vervallen. Dus zegt hij: als U in hun onderhoud voorziet, doe dat dan alleen voor degenen die geloven – met andere woorden, laat de ongelovigen maar verhongeren, daar geef ik niet om. Die hoeven niet te blijven leven en nieuwe generaties voort te brengen. (Dit is trouwens dezelfde bekommernis die Noeh, vrede zij met hem, heeft geuit, wanneer hij Allah vraagt de volkeren te vernietigen en hij zegt: “zij zullen niets anders baren dan degenen die overladen zijn met zonden, de ergste soort zondaars en de ergste soort ongelovigen” en dus verdienen ze het  dat hun hele natie wordt uitgeroeid, dat hun Shirk en Kufr niet worden verdergezet. Ibrahim (vrede zij met hem) zegt: “Geef enkel voorzieningen aan mijn gelovige afstammelingen.” Allah zegt “Nee. Zelfs aan wie niet gelooft zal ik ook een beetje voorzieningen geven.” Er speelt hier dus een dialoog tussen  Allah en Ibrahim (vrede zij met hem) in Surah al Baqarah.

Gaan we dan nu naar het einde (van de Quran): Soera al Fiel. Jullie weten allemaal wat er is gebeurd in Soera al Fiel. Er komt een leger olifanten – olifanten, iets wat Arabieren nog nooit in een veldslag hadden gezien. Het was iets buitengewoons voor hen. Zozeer dat ze het jaar van dit gebeuren ernaar hebben genoemd: Amal Fiel – het jaar van de Olifant. Zo vreemd was dit voor hen. Hoe konden zij strijden tegen een leger van olifanten? In die  tijd zag het er dus sterk naar uit dat de vrede in Mekka niet zou blijven duren. De olifanten naderden en de meeste bewoners van Mekka waren de bergen in gevlucht, behalve enkele die bleven om te proberen onderhandelen. En uiteindelijk zegden ze: “Allah zal Zijn eigen Huis wel beschermen.” Met die verhalen zullen we ons volgende week bezighouden. Wat we nu moeten begrijpen is dat dit een punt was waarop niemand zou hebben beweerd dat de vrede in de stad Mekka kon worden bewaard. Het plan van Abraha was om de hele stad te vernietigen, met de Ka’bah erbij. Vooral de Ka’bah. Maar onder deze totaal onmogelijke omstandigheden verhoort Allah nog steeds het gebed van Ibrahim (vrede zij met hem) en Hij bewaarde en handhaafde de vrede in die stad. Dat is waar Surah al Fiel om draait: het bewaren van de vrede in Mekka, en dat is het eerste onderdeel van het gebed van Ibrahim (vrede zij met hem), die had gevraagd “maak dit tot een vredige stad”.

Het tweede deel was: “Voorzie hen allerlei soorten fruit”, dus de voorspoed. De volgende Soera na Soerah al Fiel is Soera Quraysh. En waarover gaat die? “Fi ilaafie Quraysh, ilaafihim rihlaatan shitaa’i wassayf (…)” Die Soera gaat hoofdzakelijk over het feit dat de Arabieren zowel in de zomer als de winter caravanen kunnen  uitsturen. Ze kunnen naar elke handelszone gaan die ze verkiezen en allerlei goederen invoeren. En dat het hele jaar door. Kon een andere Arabische stam dat? Nee. En waarom niet? Elke andere Arabische stam die dat probeerde, betaalde daar zware tol voor: ze werden beroofd. Je wordt beslist beroofd. Iedereen wordt overvallen. De enige uitzondering zijn de Quraysh, die vrije doorgang hebben. En hoe komt het dat niemand hèn lastigvalt?! Zelfs als iemand ze met die bedoeling tegenhoudt en dan blijkt dat ze Quraysh zijn, zal de overvaller afhaken.

Deze groep werd als heilig beschouwd, de hoeders van het Heilige Huis, en zij hadden dus een algemene vrijkaart. Ze werden gerespecteerd. Maar er was ook een politieke reden: veel van die stammen hadden eigen afgoden. Maar waar worden die afgoden bewaard, gegijzeld? In de Ka’bah. Hun afgoden staan in de Ka’bah. Dus als je een Qurayshi overvalt, zegt die: “O ja, wat voor afgod had je ook weer? Als ik thuiskom breek ik z’n nek!” Dus raken ze niet aan de Quraysh, vanwege hun respect voor de Haram en haar bewakers. Dit is algemeen geweten, ze is hun universele vrijgeleide. En daardoor kunnen ze dus letterlijk genieten van “alle soorten fruit”! Ze kunnen overal naartoe. Is dit het tweede deel van de smeekbede van Ibrahiem (vrede zij met hem)? Ze werden allebei verhoord, het ene in Surah al Fiel en het andere in Soera Quraysh.

Nu die twee delen werden verhoord, wijst Allah er aan het einde van Surah Quraysh er ook op: “fa’al ya’budu Rabba haada’l Bait”. Nu moeten ze zich onderwerpen aan de Meester van “dit Huis” en Hem aanbidden. Wat bedoelt Hij met “dit Huis”? De Ka’bah. En wanneer werd dit gebed over hen verricht? Toen de Ka’bah werd gebouwd. En wiens Du’a was dat? Ibrahiem (vrede zij met hem). Gewoon door te zeggen “dit Huis” worden ze herinnerd aan de oorsprong van hun stad: het gebed van degene die het Huis heeft gebouwd (Ibrahiem, vrede zij met hem) en Hij herinnert hen: “Alladhi at’amahum min Djoewieen, wa aamanahum min ghauf” (Degene Die hen tegen de honger voedt en hen veilig behoedt, ondanks gevaar en angst). Dit is een rechtstreekse verwijzing naar het gebed van Ibrahiem (vrede zij met hem).

Zijn ze het waardig om deze gunsten te genieten? Hebben ze zich zo gedragen dat ze recht hebben om de voordelen te genieten die uit de smeekbede van Ibrahiem (vrede zij met hem) voortvloeien?! Let wel: Ibrahiem (vrede zij met hem) heeft deze gunsten niet voor àl zijn afstammelingen gevraagd. Voor wie vroeg hij ze? Zijn gelovige afstammelingen. Zijn de Quraysh de gelovige afstammelingen? Niet dus. Maar Allah zegt: “degene die niet gelooft, ook hèm zal ik er beetje van laten genieten.” Dat heeft Allah gezegd: “en daarna zaz lk hen naar de bestraffing van de Hel drijven.” Nu moet worden duidelijk gemaakt of zij de waardige kinderen van Ibrahiem zijn (vrede zij met hem), of de onwaardige. Het moet duidelijk worden.

De volgende Soera, Al Ma’oen, onthult het. Ook al geniet deze groep mensen van de gunsten ten gevolge van het gebed van Ibrahiem (vrede zij met hem), ze zijn het niet waard: “A ra’ayta alladhie yukaddibu bi ddien (…)” Zie je degene die liegt over het geloof, de wees onrechtvaardig behandelt en zelfs niet het voeden van de armen aanmoedigt? En zelfs als ze bidden, doen ze het voor het oog van de mensen. En ze zijn zo gierig! “Wa yamna’oen al maa’oen.” In het Arabisch betekent “maa’oen” het vragen van kleine gunsten. Een buur komt langs en vraagt of je hem wat zout kan lenen en je zegt “geen idee wat dat is” en gooit de deur voor z’n neus dicht. Dat is wat “yamna’oen al maa’oen” betekent: uiterste gierigheid, weigeren om zelfs  maar de kleinste gunst aan iemand te geven. Zoals wanneer je in de klas zit bij iemand wiens pen leeg is, terwijl er vier uit je jaszak steken en jij legt er snel je hand op. Dat is “yamna’oen al maa’oen”. Allah laat dus zien hoe onwaardig ze zijn, hoe weinig ze de voordelen die ze genieten verdienen.

Nu is gebleken hoe onwaardig ze zijn, keren we terug naar het deel dat een conversatie weergeeft tussen Allah (verheven en geprezen is Hij) en Ibrahiem (vrede zij met hem). Dat was ook weer in Soera Baqarah. Allah heeft gezegd: “Ik zal ook de ongelovige afstammelingen voorzieningen geven, en dàn zal Ik ze naar de Hel drijven.” Denk je dat Ibrahiem (vrede zij met hem) blij was met dat antwoord?! Dat een deel van zijn afstammelingen zal in de  Hel belanden! En dat ze zullen Kufr plegen? Een deel van hen zal in Kufr leven?! Dus nu wil hij zich ervan verzekeren dat er ook een deel zal zijn dat nooit in Kufr vervalt. Dus spreekt hij een tweedelig smeekgebed uit. Hij begint met zichzelf en zijn zoon: “Rabbana wa ja’alna Muslimaini lak. Wa min durrie atinaa Ummatan Muslimatannak …” – “O Allah zorg tenminste dat wij tweeën (hijzelf en – wie bouwt het Huis samen met hem? – Ishmaïl, vrede zij met hen) Muslim zijn, in totale overgave tegenover U, en zorg ervoor dat uit onze toekomstige generaties er tenminste één groep is die Muslim blijft voor U alleen, onderworpen aan U alleen. En toon ons onze rituelen en aanvaard ons berouw.”

Deze smeekbede wordt gevolgd door nog een andere Du’a van Ibrahiem (vrede zij met hem). Hij beseft dat, aangezien de Islam zal aftakelen als er zowel Kuffaar als Muslims samen zullen zijn,  de komende generaties enkel Muslim zullen blijven  als je iemand stuurt die ervoor zorgt dat de Islam zuiver blijft. Dus in zijn genialiteit vraagt hij: “Rabbana wab athiem  Rasoelan minhum” meteen daarna: “O Allah stuur een Boodschap van bij hen, roep onder hen iemand, stel iemand van hen aan die voor hen een Boodschapper is.”

Dus: de onwaardigen zijn de ongelovigen, en de waardigen zijn de gelovigen. En de leider van de waardigen zal een Boodschapper zijn, niet? Nu terug naar het einde van de Quran.

Soera al Maoen heeft de onwaardige afstammelingen aan de kaak gesteld. Als je dat doet, wat is  dan het logische om daarna te doen? Wie is het alternatief? Aan wie hoort de hoede over het Huis toe, als deze mensen niet de juiste hoeders voor het Huis zijn? Als het doel van het Huis van Allah is te bidden, en deze mensen bidden enkel voor het oog van de mensen (alladhina hum yura’oen)? Het doel van het Huis is het gebed. Maar zij doen het alleen voor de show. En offer. Wat moet er met het vlees gebeuren? Je wordt geacht het uit te delen, weg te geven. En wat doen deze mensen?  Ze zijn zo gierig: wa lam a-ya’oena al ma’oen. Ze weigeren zelfs het geringste te geven. Het is duidelijk dat ze onwaardig zijn.

En wie wordt er nu in de volgende Soera (Al Kauthar) besproken? Degene die wèl waardig is, die wèl de hoeder van dit Huis hoort te zijn: “Inna atteinaka al Kauthar.” – “We hebben jou (O Muhammad) de overvloed aan goed gegeven.” De geleerden hebben enorm veel over dit woord “Al Kauthar” gesproken. De Hadith stelt heel duidelijk dat “Al Kauthar” een rivier in het Paradijs is. Maar het woord “Kauthar” is generisch: het omvat nog veel meer, waaronder de overwinning die Allah aan Zijn Boodschapper (vrede en zegeningen over hem) heeft gegeven. Waaronder ook de Quran, de heropleving van de nalatenschap van Ibrahiem, waaronder de zuivering van het Huis van Allah dat door Ibrahiem werd gebouwd en was onteerd door de onwaardige afstammelingen van Ibrahiem (vrede zij met hem). Dat hoort allemaal tot het grote goed dat is gegeven aan de Boodschapper (vrede en zegeningen over hem). Stel je voor: dit Huis, gebouwd voor Tawhid, daar is eeuwenlang Shirk in gepleegd, in de hoofdstad van de Tawhid! En wie krijgt de eer om het allemaal op te ruimen? Dat is Rasoel ullah (vrede en zegeningen over hem). Dit is een ontzagwekkende eer! En het feit dat de Qibla wordt veranderd tijdens zijn Risala, zijn profeetschap. Terwijl de eeuwen ervoor de gelovigen baden in de richting van Al Aqsa. Maar onder zijn leiding wordt het gewijzigd. Hij krijgt dus het ultieme goed:  inna atainaka al Kauthar.

Maar dan zegt Allah deze twee mooie zaken. De Soera telt slechts 3 verzen, het is een heel korte Soera. In het tweede vers: “fa salli li Rabbika wa nhar – bid tot je Heer en breng offers.” Gebed en offer – wiens nalatenschap is dat? Ibrahiem, vrede zij met hem. Want bij wie is die traditie van gebed en offer begonnen?! Ibrahiem, vrede zij met hem,  met Ishmaïl. Er wordt hem dus gezegd: “Nu is het aan jou om de nalatenschap van je voorvader, Ibrahiem, nieuw leven in te blazen!”

En daarna zegt Hij “inna shanieake huwa ‘l abtar”. Dit verwijst naar een heel specifieke gemene opmerking van een Kafir, waar we het nog over zullen hebben. Toch is de taal algemeen. Iemand wordt tot  vijand van de Profeet (vrede en zegeningen over hem) verklaard. We kunnen tussen de lijnen lezen dat, nu deze Soera geopenbaard is, en nu duidelijk is wie de waardige kinderen zijn en wie niet, nu zijn jullie niet langer één enkele familie, al is jullie (voor)vader één en dezelfde: “Jullie zijn niet meer één familie. Zij zijn praktisch gezien jullie vijanden geworden.” Dat wat hen tot vijand maakt is niet het bloed dat door jullie aderen stroomt, want dat is hetzelfde. Jullie zijn van dezelfde stam en zelfs van dezelfde clan! Dat wat jullie tot vijanden maakt, is wat zich in jullie hart bevindt: Iman (geloof) tegenover Kufr (ongeloof).

Daarom legt de volgende Soera (al Kaafiroen) de reden voor die vijandschap uit. Waarom hoor ik (Muhammad, vrede en zegeningen over hem) niet meer bij jullie, waarom heb ik geen uitstaans meer met jullie en neem ik volledig afstand van jullie, al horen we tot dezelfde stam? In de Arabische samenleving is dat wat jouw identiteit, jouw burgerschap, bepaalt juist wel je stam: van welke Kabila stam ik af? En hier krijgt de Boodschapper (vrede en zegeningen over hem) het directe bevel om zijn burgerschap te loochenen. Hoe wordt dat uitgedrukt: “Qul: Ya, ayyuha ‘l … Kaafiroen!!!”, meteen in de volgende Soera. “Zeg hen…” Allah bevéélt hem het hen te zeggen. Dat is een heel belangrijk element: “Nu gebied Ik je hen dat te zeggen. Zeg niet meer ‘Yaa Quraysh, Yaa Qoumie (mijn volk), mijn stam en familie’. Gebruik die woorden niet meer voor hen, noem ze ongelovigen.” Waarom zijn ze ongelovigen: ze zien zichzelf niet als dienaren, ze aanbidden niet wat ik aanbid: “Laa abudu ma ta ‘budu, wa la antum abiduna ma abattum” – opnieuw en opnieuw en opnieuw, om duidelijk te maken dat we niet meer bijeenhoren. Het is  voorbij. “Ik volg de nalatenschap van Ibrahiem (vrede zij met hem), en jullie duidelijk niet.” Dit is bijna een verklaring van conflict en oorlog. Als je zegt “Ik heb geen uitstaans meer met jullie”, heb je duidelijk je eigen volk tot vijand gemaakt. En bij dit soort conflict, of in oorlog, zal er iemand als winnaar uit de bus komen, en iemand als verliezer. Onvermijdelijk.

En wat denk je dat de volgende Soera zegt? “Id dha ja a wa nasru ‘Allahi wal fath” “Als je de hulp van Allah ziet, en de overwinning…” (Soera an Nasr)! Soera Kaafiroen kondigt het conflict aan, en de overwinning in dat conflict wordt toegekend aan de Boodschapper (vrede en zegeningen over hem). Over het historisch kader van de openbaring van dit vers bestaan er meerdere meningen. Veel geleerden stellen dat het Medinees is, enkele denken dat het  Mekkaans is. Er zijn verschillende overleveringen die elk van die stellingen ondersteunen. We zullen proberen die te behandelen wanneer we de Soera zelf zullen behandelen. Maar in essentie is deze Soera een belofte Allah van een gegarandeerde overwinning: jij komt als overwinnaar uit dit conflict.

Om het verband te begrijpen tussen deze Soera en die erna moeten we een vergelijking trekken met gelijkaardige gebeurtenissen in het verleden. Als Allah de Boodschapper (vrede en zegeningen over hem) de overwinning schenkt,  is dat dan iets kleins voor de geschiedenis van de mensheid of groot? Het is een heel grote gebeurtenis in de mensengeschiedenis! De overwinning van de Islam, de vestiging van de godsdienst van Allah op aarde, is van enorm belang in de geschiedenis van deze Dien. De Ayaat  die tot ons komen “Al yaumu akbaltu lakum dienakum”, dat is geen kleinigheid! Dit is de laatste Boodschapper en dit is zijn uiteindelijke overwinning! Een enorme aangelegenheid! Telkens wanneer Allah een grote overwinning of een belangrijk teken zendt aan deze wereld, wanneer belangrijke hulp van Allah komt, dan stuurt Hij voor de komst ervan enkele minder grote tekenen. Weet je hoe Allah Moesa (vrede zij met hem) het meest geholpen heeft? Dat was toen het water zich splitste en hij (de zeebodem) overstak. Maar was er daarvoor een kleiner teken, minder spectaculaire hulp, gewoon om het gebeuren voor te bereiden? Er was zijn staf, zijn witte hand, de negen tekenen die werden gegeven om Fir’aun en zijn bevelhebbers te waarschuwen. Dus er was het grote teken, maar voor de grote overwinning  kwamen de kleinere tekenen.  Als je die mindere signalen ziet, dan zit het zo. Dit is hoe mijn leraar het heeft uitgelegd. Hij zei: “Weet je hoe het is als je wolken ziet? En er verandert iets aan de wind, kort voor er een zware regenvlaag komt? Die wolken en wind wijzen je erop dat er iets gaat gebeuren? Dit is net zo.” Je ziet al de signalen voor het eigenlijke gebeuren zich voordoet.

Nu, wanneer Allah de overwinning belooft met  “Id dha ja a wa nasru ‘Allahi wal fath”, is dit een groot of klein teken? Een groot! Dus wat is dan het kleine teken, de aanwijzing dat deze overwinning op til is? Kan je ons een kleine overwinning tonen, als voorsmaakje voor de uiteindelijke grote overwinning? Wel, de volgende Soera gaat over: “Wat is je meest directe probleem, ya Rasulullah (vrede en zegeningen over hem)?” Een van de gemeenste vijanden van de Boodschapper (vrede en zegeningen over hem) was Abu Lahab. Laat Mij voor jou met hem afrekenen: “Tabat yada abbi Lahabbin watab.” En ik pak hem niet alleen aan, maar zijn madam meteen ook: “Wa amraatuhu hammalahul hatab.” Allah (verheven en geprezen is Hij) vernietigde Abu Lahab als teken en garantie voor de uiteindelijke overwinning die eraan kwam.

Dan blijven er nu nog drie Soera’s over, het  einde van de Mus’haf.

Ik vat kort samen voor jullie wat ik in twee belangrijke werken van Tafsir vond.

Wanneer mensen gedurende lange tijd oorlog hebben gevoerd, vergeten ze vaak wat het is waarvoor ze vechten. Gezien onze context in de geschiedenis, zal dit wel herkenbaar zijn. Als een conflict lang duurt, de oorlog gaat maar door, en men vergeet waar het allemaal om is begonnen.  Dit gebeurt vaak. Het is niets nieuws in de geschiedenis van de mens. Dit is vroeger ook al vele keren gebeurd. Is dit conflict tussen de Boodschapper (vrede en zegeningen over hem) en de Quraysh, de gelovigen tegen de ongelovigen, van lange of korte duur geweest? Het heeft een hele tijd geduurd. Is het van belang er zichzelf aan te herinneren waarom we vechten, voor we dat uit het oog verliezen? Weet je nog waar dit conflict begon? Ibrahiem (vrede zij met hem) verrichtte een Du’a: “Voor hen die geloven, geef hen voorzieningen. Voor wie niet geloven, voorzie hen niet.” Het conflict situeerde zich dus gelovigen en ongelovigen. En als je de nalatenschap van Ibrahiem (vrede zij met hem) in één woord wil samenvatten, in één woord wil weergeven waar het Ibrahiem (vrede zij met hem) om te doen was, dan zelke man, vrouw en kind aan wie je dat vraagt antwoorden: Tawhied. Zijn nalatenschap draait rond de uniciteit en eenheid van Allah, alleen Hem vertrouwen en enkel van Hem afhangen, in Hem geloven, van Hem vragen,… Dit is zijn erfenis aan ons. We worden dus opnieuw herinnerd aan de agenda van de Ummah, nog eens, nu in dit conflict de overwinning is gagarandeerd. Wat is de volgdende Soera (Ikhlaas)? “Qul huwa Allahu ahad, Allahu assamad,…” Wat is het doel van deze Soera, wat is haar agenda? Tawhied, de nalatenschap van Ibrahiem (vrede zij met hem).

Nu, is  dit de eerste keer dat deze Tawhied werd geopenbaard, trouwens? Neen! Iedere en elke Profeet uit de geschiedenis heeft diezelfde Boodschap gebracht van de eenheid, uniciteit, de ongeëvenaarde eenheid van Allah, azzawajjal. Dat was  de kern van de Boodschap van elke Boodschapper. Maar is het niet zo dat in de mensengeschiedenis de Tawhied is gekomen, dat de mensen erin geloofden maar dat het mettertijd ook weer steeds zwakker werd, vervormd werd en terug in Shirk verviel? Absoluut. Dit is niet de eerste keer dat dit is gebeurd! Er zijn vroeger ook gelovigen geweest, maar doorheen de generaties zijn ze verzwakt en terug naar Shirk afgedwaald. Omdat dit nu eenmaal gebeurt, zendt Allah niet enkel Tawhied, maar ook twee bewakers ervoor.

De idee erachter is dat Tawhied door invloeden van buitenaf kan worden verdorven, maar de Iman kan even goed lijden door innerlijke verleidingen  en invloeden. Er zijn dus negatieve invloeden van buitenaf zowel als van binnenuit.

Tegen de invloeden van buitenaf heeft Allah een beschermer gezonden, namelijk Soera al Falaq: “Qul a’udhu bi Rabbi ‘l Falaq, min sharri maa ghalaq, wa min sharri khaasiqin idhaa waqab”, enzovoort. Deze Soera is erop gericht de gelovige te beschermen tegen bederf en slechte invloeden van de buitenwereld.

En wat is de slechte invloed van binnenuit? De waswaasa (influisteringen) van Shaytan en de Nafs (eigen ik). Maar ook het slechte gezelschap dat jou iets kan influisteren: ze stellen je iets voor, het lijkt je een goed idee, je vervalt in slecht gedrag maar uiteindelijk vernietigt het je Tawhid en Iman in hun geheel. Tegen die slechte innerlijke invloed worden we beschermd door Soera an Naas: “Qul a’udhu bi Rabbi ‘nNaas, Maliki ‘nNaas, Illahi ‘nNaas, …”. Dat is de Tawhid en zijn twee beschermers, tegen verderf van zowel uiterlijke als innerlijke invloeden.

Daarmee komen we aan het einde van deze prachtige reeks Soera’s.

We reciteren ze voortdurend, maar ze bieden zo’n diepgaande en coherente redenering, verbonden met de nalatenschap van Ibrahiem (vrede zij met hem). Ze wijzen ons erop hoe die nalatenschap in nauw verband staat  met de nalatenschap van Muhammad (vrede en zegeningen over hem). Een laatste punt dat ik met je wil delen is Allah’s opdracht aan de Boodschapper (vrede en zegeningen over hem). Het vers waarvan ik jullie een deel ga voordragen is een vers dat ons toont dat Allah de Boodschapper opdraagt om die nalatenschap van Ibrahiem (vrede zij met hem) nieuw leven in te blazen: “Fa tabbih bi Allaahi Ibrahiema haniefan.” (De Edele Quran 16:123) Allah beveelt hier de Boodschapper (vrede en zegeningen over hem): “Zorg dat je de nalatenschap van Ibrahiem (vrede zij met hem) volgt, de Hanief, die Allah zozeer was toegewijd.”

bron: http://podcast.bayyinah.com/2010/03/07/105-feel-pt-1/

vervolg van de lessen: http://podcast.bayyinah.com/category/juz_amma/

Dit bericht werd geplaatst in Quran - onze gids en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.