Goed zijn en getuigen

Vertaalde samenvatting van “Be good and do Da’wah” 
Spreker: Nouman Ali Khan  (volledige tekst onderaan)

Eerst en vooral vraag ik dat Allah dit laat gelden als een daad van aanbidding, die Hij aanvaardt en laat meetellen in onze weegschaal op de Dag des Oordeels.

Wat ik met jullie wil delen is een eenvoudige overweging bij een Ayah (vers) waarin Allah (azza wa djal) advies geeft aan Zijn Boodschapper (vrede en zegeningen over hem):

“Sanoeqri’oeka fa laa tansaa” – Wij zullen (de Quran) aan je voordragen en jij zult (hem) niet vergeten. (De Edele Quran 87:6 – Soera al ‘Ala)

Muhammad (vrede en zegeningen over hem) vreesde dat hij er niet in zou slagen alle geopenbaarde Ayaat te onthouden. Dus zei Allah: “WIJ zullen je doen reciteren, daarna zal je niet vergeten.” Dat is mooi, want de Boodschapper (vrede en zegeningen over hem) had zelf gezegd: “Ik ben niet iemand die reciteert.” En nu zegt Allah: “Geen zorg – omdat de Goddelijke je zal DOEN reciteren, zal je het niet vergeten.”

Meteen daarna zegt Allah “Fa dhakkir”“En herinner dan”: Nu je het voor altijd zal onthouden, moet je dat wat je hebt onthouden gebruiken om te herinneren. Subhaan Allah! “Fa dhakkir – in nafa’ati dhdhikra” (De Edele Quran 87:9). In het Arabisch is “dhakara” overdrachtelijk, je verwacht dat het naar iets verwijst: wie moet hij herinneren? Mensen! Iedereen. Maar hier staat niets… Het is alsof er wordt gezegd: “Trek het je niet aan wie luistert en wie niet. Al wat jij moet doen is gewoon herinneren.”

En dan zegt Allah: “in nafa’ati dhdhikra”. Dit is een interessante opbouw, want in een voorwaardelijke zin zeggen we “als – dan”. Hier kwam het “dan”-gedeelte eerst, de “als” erna. Dat duidt op het grote belang van dit “dan”-gedeelte. Subhaan Allah! Hij zegt “als de herinnering baat”. Opnieuw verwacht je dat er wordt vermeld wie het is die er voordeel uit haalt. Hier volgt niets. Weet je wat ons dit zegt? Eerst en vooral: “Onze herinnering heeft geen beperkingen.” Alle pijlers van onze dien zijn stuk voor stuk een daad van “herinneren”, maar meer nog dan dat alles wordt de Quran zelf “Dhikr” genoemd.

Waar ik naartoe wil,
is dat het hart van de boodschap van deze Dien
ten eerste is voordeel te halen uit de herinnering,
gevolgd door het doorgeven van die herinnering,
de opdracht anderen te doen gedenken.

SMILE!

Eén van de beschrijvingen van de Profeet (vrede en zegeningen over hem) door talrijke Sahaba, is dat hij voortdurend glimlachte. Jij en ik glimlachen als het werk erop zit, als het vijf uur wordt op kantoor – zeker op vrijdag. Maar de Boodschapper (vrede en zegeningen over hem) is niét klaar, hij draagt het gewicht van de wereld op zijn schouders, en toch blijft hij glimlachen!

Alle problemen in de Muslimwereld en de aanvallen tegen de Islam, en al die negativiteit die ons omringt… dat is allemaal niets vergeleken bij de problemen en aanvallen tegen de zaak van de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) tijdens zijn eigen leven. En toch weerhield dat er hem niet van om te glimlachen.

Wij moeten “positief” worden!

We moeten ophouden er uit te zien alsof we sociaal geconstipeerde wezens zijn wanneer we de moskee binnenkomen. Het is precies iets geworden om trots op te zijn als je niet glimlacht. Met een frons op je gezicht word je verondersteld respect af te dwingen… Niemand geniet méér respect dan de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) – en hij glimlachte! Ondanks alle verdriet dat er misschien is, is er ook vreugde omdat hij het Woord van Allah ontvangt. Dat overschaduwt al het bedroevende. In de Quran zegt Allah (azza wa jal) ons: “Fa li dhalika fal yafraku” – omwille daarvan moet je overlopen van vreugde. Als we niet gelukkig zijn vanwege dit fantastische geschenk van Allah, waar halen we dan de positieve energie die we nodighebben om deze Dien aan anderen door te geven?!

Glimlachen is toegestaan!
En wij moeten deze cultuur veranderen.

In deze tijden zijn moskeeën vreemde plaatsen geworden. Vaak gebeurt het dat, wanneer er kinderen rondlopen, iemand bijna een hartaanval krijgt: “Die kinderen lachen in de moskee!!! Hé! Geen geluk hier!”… En dan vraag je je af waarom je die jongeren nooit meer terug ziet wanneer ze als tieners hun eigen wagen hebben… De laatste plek waar ze naartoe willen is de moskee, want wat is het dat ze zich daarvan herinneren? “Goh, er was daar een man die zich gedroeg als een gevangenisbewaker”… Dat is niet hoe de sfeer in de moskee, in Allah’s huis, hoort te zijn! Mensen horen erheen te komen om zich goed te voelen. Niet alleen wijzelf. Onze moskeeën moeten zo hartelijk zijn dat ook niet-Muslims, die zich met hun problemen in de duisternis bevinden, naar ONS komen voor licht.

Onze eerste verantwoordelijkheid
is te werken aan de omgangsvormen

… thuis, en meteen daarna die in onze Massaadjid. Conferenties, scholen, spreekbeurten, uitstapjes… dat hoort er allemaal bij, maar de instelling die Allah in het leven heeft geroepen als herkenningspunt van hoe een Muslimgemeenschap werkt, en ook in de toekomst zal functioneren, is het huis van Allah. We moeten de Masdjid maken tot een gastvrije omgeving waar je niet wordt veroordeeld. En als dat wèl gebeurt, dan is er een ernstig probleem, want in de praktijk betekent dit dat we enkel holle praat te bieden hebben, dat we niet echt de prachtige leer van onze Dien vertegenwoordigen.

Wanneer we het hebben over de problemen van de wereld en hoe we die willen oplossen, dan kan dat pas als we eerst de problemen oplossen die we zèlf hebben. We moeten bij onszelf beginnen. We moeten af van die negatieve houding dat er al zolang niets veranderd is en het dus nu ook niet zal gebeuren. De verandering komt niet van jou of mij, de verandering komt van Allah! En omdàt Allah die zaken in de hand houdt, is er geen reden om negatief te zijn.

In de vreselijkste periode van de Sirah (het leven van de Profeet, vrede en zegeningen over hem) – het verlies bij Uhud hoort tot het allerergste dat ze meemaakten – krijgen de Boodschapper (vrede en zegeningen over hem) en de gelovigen het volgende te horen: “Waarover maken jullie je zorgen? Maak je geen zorgen, wees niet zwak en wees niet droevig. Jullie zullen de bovenhand krijgen. Wees gerust.” Het enige wat ze moeten doen is “in kuntum moe’minien”: als jullie werkelijk ware gelovigen zijn. In de ergst mogelijke situatie – ze zijn gewond, ze bloeden, ze vluchten de berg op en kijken niet eens om naar hun broeders achter hen, zo erg was het! – zegt Allah nog: maak je geen zorgen…

Met andere woorden: laat je zorgen en bekommernissen achter bij Allah.

Wij hebben het al bij al nog goed. We hebben heel wat redenen om gelukkig en dankbaar te zijn. En ik bid dat Allah (verheven en verheerlijkt is Hij) ons maakt tot een dankbaar volk, en dat onze dankbaarheid zich vertaalt in positieve energie – in ons gezin, in onze gemeenschap en om ons heen. En ik hoop dat we die energie kunnen onderhouden en er elkaar mee aanmoedigen, zodat we geen dragers van droefheid, depressie en negativiteit worden, maar elkaar versterken in onze positieve energie, insh’Allah.

Bron:  http://www.youtube.com/watch?v=bkiB7DamM_Y

VOLLEDIGE TEKST

Eerst en vooral vraag ik dat Allah dit laat gelden als een daad van aanbidding, een daad van Ibada die Hij aanvaardt en die Hij laat meetellen in onze weegschaal op de Dag des Oordeels. We brengen dit voor Allah als een shahada, een getuigenis.
Wat ik met jullie wil delen houdt enigszins verband met dat waarover Sheikh Abdul Nasr daarnet heeft gesproken in het kader van de familie – maar dan in een ruimere zin. Het is gewoon een eenvoudige overweging bij een Ayah (vers) waarin Allah (azza wa djal) advies geeft aan Zijn Boodschapper (vrede en zegeningen over hem). De Boodschapper (vrede en zegeningen over hem) geeft de hele wereld raad. Van wie krijgt hij ze? Hij krijgt raad van Allah. (De Edele Quran 87:6 – Soera al ‘Ala)
Hij (vrede en zegeningen over hem) vreesde op een bepaald moment dat hij niet in staat zou zijn zich de Quran, die toen aan hem werd geopenbaard, te herinneren. Hij vreesde dat hij niet alle geopenbaarde Ayaat zou kunnen onthouden. Dus zei Allah (azza wa jal) hem: “Sanuq riuka, fa laa tansaa” – “We zullen je doen reciteren, daarna zal je niet vergeten.” Dat is mooi, want de Boodschapper (vrede en zegeningen over hem) had zelf gezegd: “Kama kaal ma ana bi qari” – “Ik ben niet iemand die reciteert.” En dus zegt Allah: “Geen zorg – WIJ zullen je laten reciteren.” Hij heeft niet gezegd: “JIJ zult reciteren, en je zult niet vergeten” maar “WIJ zullen je laten reciteren” – aangezien hij het zelf niet kon. Dan zegt Hij: “Omdat de Goddelijke je zal doen reciteren, zal je het niet vergeten.”
In datzelfde stuk gaat Allah (azza wa djal) verder. In het eerste deel zegt Hij: “Je zal het niet vergeten, want WIJ doen je lezen” en meteen in de volgende discussie zegt Hij: “Fa dhakkir” – “En herinner dan.” Nu je het niet zal vergeten, nu je het voor altijd zal onthouden, moet je dat wat je hebt onthouden gebruiken om te herinneren. Nu je de input hebt is het tijd voor de output. Subhaan Allah! “Fa dhakkir – in nafa’ati dhdhikra” (De Edele Quran 87:9). In het Arabisch is “dhakara” overdrachtelijk. Dat betekent dat je, wanneer je het woord “herinner” zegt, eigenlijk verwacht dat het naar iets verwijst: wie herinneren? Mensen! Iedereen. Herinner je familie. In het taalgebruik verwacht je dat voorwerp bij het werkwoord. Maar hier is er geen mafrud bihi.
Fa Dhakkir – Herinner!” Het is alsof aan de Boodschapper (vrede en zegeningen over hem) wordt gezegd: “Maak je geen zorgen, trek het je niet aan wie luistert en wie niet, zit er niet mee of ze komen of niet, wie in- en uitloopt, maak je geen zorgen over wie de spot met je drijft en snerende opmerkingen maakt over wat je zegt. Maak je niet druk over mensen die naar je luisteren, hun schouders ophalen, weggaan, de volgende dag terugkeren om je te beledigen en weer weggaan. Trek je hen niet aan! Waar het hier om gaat is niet het onderwerp. Jouw aandachtspunt is het werkwoord zelf: herinner, je moet gewoon herinneren.”
En dan zegt Allah (azza wa djal): “in nafa’ati dhdhikra”. Dit is een interessante opbouw, want in een voorwaardelijke zin zeggen we “als… > dan…”. Hier kwam het “dan”-gedeelte eerst, de “als” kwam erna. “Fa dhakkir” is het “dan”-deel; “in nafa’ati dhdhikra” is het “als”-deel – het is omgekeerd. Dat is zo omdat dit “dan”-deel zo vreselijk belangrijk is! Zo belangrijk dat het eerst wordt vermeld. Subhaan Allah! En Hij zegt “als de herinnering baat”. Weet je wat zo interessant is aan die taal? Als je over voordelen spreekt, verwacht je opnieuw dat er wordt vermeld wie het is die er voordeel uit haalt. Hier wordt niet vermeld wie er voordeel van heeft. Weet je wat ons dit zegt? Eerst en vooral: “Onze herinnering heeft geen beperkingen.” Een van de fundamentele functies van dit Boek (de Quran) is te herinneren, net zoals het merendeel van de Islamitische dienstverlening waarover we het vandaag hebben. Of het gaat om opvoeding, onderwijs of sociale diensten of advies, het kan eigenlijk allemaal worden herleid tot “herinnering”. Alle fundamentele pijlers van onze dien zijn stuk voor stuk een daad van “herinneren”: Salaah is een daad van herinneren/gedenken, Hajj is de ultieme daad van gedenken, het vasten is een hele màànd van herinneren, … Alle fundamenten van onze dien zijn daden van herinnering. Zakaat is op zich een daad van herinnering: we gedenken waar ons bezit vandaan komt en waarvoor het eigenlijk is bestemd en wanneer U (Allah) het terug zult wegnemen. Maar meer nog dan dat alles wordt de Quran zelf “Dhikr” genoemd.
Waar ik naartoe wil, is dat het hart van de boodschap van deze Dien ten eerste is voordeel te halen uit de herinnering, en dan het andere: de herinnering doorgeven, anderen doen gedenken. Of dat nu is via sociaal werk, huwelijksadvies, … Zelfs die raadsman herinnert hen eraan Wie hen heeft geschapen en hoe ze barmhartig met elkaar moeten omgaan. Dit mogen we niet uit het oog verliezen.
En als onderdeel van dit geheugensteuntje wil ik iets met jullie delen: één van de beschrijvingen van de Profeet (vrede en zegeningen over hem), gegeven door talrijke Sahaba, is dat hij voortdurend glimlachte. Dat zet je aan het denken… Welke vakantie had hij, dat hij kon glimlachen? Welke stressvrije tijd heeft hij genoten, dat hij kon glimlachen?!
Jij en ik glimlachen als het werk erop zit: “Oef ik ben net klaar!” Je zou me op zondag moeten zien, wanneer ik mijn studenten een echt moeilijke test geef. Tegen dat het examen voorbij is en ik klaar ben met corrigeren, … Weet je: ik glimlach! Zij kunnen niet lachen, maar ik glimlach! Want ik ben klààr! Je krijgt die grijns op je gezicht als het vijf uur wordt op kantoor – zeker op vrijdag – en je werk erop zit. Maar de Boodschapper (vrede en zegeningen over hem) is niét klaar. Zoals we net hebben opgemerkt draagt hij het gewicht van de wereld op zijn schouders, en toch blijft hij zijn glimlach behouden!
Weet je wat dit ons leert? Je kan maandenlang spreekbeurten geven over de problemen in de Muslimwereld en de aanvallen tegen de Islam, en over al die negativiteit die ons omringt. Maar dat is allemaal niets vergeleken bij de problemen en aanvallen tegen de zaak van de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) tijdens zijn eigen leven. En toch weerhield dat er hem niet van om te glimlachen… Dat houdt hem niet tegen..
Wij moeten “positief” worden! We moeten ophouden gedeprimeerd te zijn. We moeten stoppen met eruit te zien alsof we sociaal geconstipeerde wezens zijn. Wanneer we de moskee binnenkomen, wanneer we mekaar ontmoeten… Zusters moeten ophouden te kijken alsof ze tot de maffia behoren, en als iemand anders binnenkomen kijken ze zo … (nota van de vertalen: allicht trok hij hier een wantrouwig gezicht als voorbeeld) Die blik moet verdwijnen. Onze jeugd moet leren glimlachen! Het is precies iets geworden om trots op te zijn als je niet glimlacht. (gegiechel – hij trekt een grimas) Met een frons op je gezicht word je verondersteld respect af te dwingen. Niemand geniet méér respect dan de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) – en die glimlachte!
Maar de glimlach is het uiterlijke. Er is iets vanbinnen. Ondanks alle verdriet dat er misschien is, is er ook vreugde, omdat hij het Woord van Allah ontvangt. Dat overschaduwt al het bedroevende. Als iemand glimlacht is dat niet kunstmatig – de glimlach van de Boodschapper (vrede en zegeningen over hem) was niet artificieel, niet alleen op het gezicht maar vanuit het hart. Dat is iets wat wij doen tegenover mekaar: “Hehe, hoe gaat het broeder?” Maar we menen er niets van. We bedoelen niet echt “Hoe gaat het” en we menen het ook niet als we “broeder” zeggen. Maar als de Boodschapper (vrede en zegeningen over hem) glimlacht, dan is er ook echt iets om blij om te zijn. En wat de Quran betreft, zegt Allah (azza wa jal) ons:
“Fa li dhalika fal yafraku”
– omwille daarvan moet je overlopen van vreugde. Wat Allah ons heeft gegeven, de “deal” (ruil/handelsovereenkomst) die Allah ons heeft gegeven, daardoor moet je overlopen van vreugde. En als we dat niet zijn, als we niet gelukkig zijn, als we onszelf niet feliciteren vanwege dit fantastische geschenk van Allah, waar halen we dan die positieve energie van deze Dien om ze aan anderen door te geven?! Hoe doen we dat, als de mensen ons enkel zien als een godsdienst van gefronste gezichten, van Vuur en Hel. Hoe kunnen we de idee overbrengen dat deze Dien geluk en licht in je leven brengt? Als je het gezicht van een gemiddelde Muslim bekijkt, lijkt het wel of hun gezicht somberder wordt naarmate ze meer religieus worden, hun fronsen worden dieper en strenger, ze worden steeds minder tolerant, … En dan hebben ze nog het lef te zeggen dat dit dicher bij de Sunnah is! Wow! Waar komt die Sunnah vandaan? Geen idee waar zij dat lezen. Dat is géén Sunnah, dat is niet “meer godsdienstig”.
Gewoonlijk associeert men in sociologie “meer godsdienstig worden” met “strenger, onbuigzamer worden”, en extremer. En in onze Dien wordt dat net omgekeerd. Naarmate je deze Dien nadert, hoe meer je over deze Dien leert en meer te weten komt over deze man (vrede en zegeningen over hem), … word je vanzelf een beter mens, een vriendelijker mens, een gelukkiger mens, makkelijker in de omgang, een ethisch mens, … Dat is wat ze met je doet. Dit is de invloed die ze op je moet hebben. Je moet gevoel voor humor hebben. Daar is niet mis mee: glimlachen is toegestaan. En wij zijn degenen die deze cultuur moeten veranderen. Jammer genoeg heb ik dit al veel te vaak gezien, vooral onze houding tegenover Massaadjid (mv van Masjid = moskee). We hebben het al over onze thuis gehad (vorige spreker, nota van de vertaler). In deze tijden zijn moskeeën vreemde plaatsen geworden. Ik hou van het huis van Allah. Maar als je daar komt en er lopen enkele kinderen rond, en er zijn dan mensen die bijna een hartaanval krijgen: “Die kinderen LACHEN in de moskee!!! Hé! Geen geluk hier! Het is tijd voor Jumu’ah (vrijdaggebed).” Dan vraag je je af waarom je die jongeren nooit meer terug ziet wanneer ze als tieners hun eigen wagen hebben. De laatste plek waar ze naartoe willen is de moskee, want wat is het dat ze zich daarvan herinneren? “Goh, er was daar een man die zich gedroeg als een gevangenisbewaker, allicht het hoofd van de zondagsschool.” (Als jullie er hier een hebben: sorry!)
Maar dat is niet hoe de sfeer in de moskee, in Allah’s huis, hoort te zijn! We worden geacht daar positieve energie uit te stralen. Mensen horen daar te komen om zich goed te voelen. Niet alleen wijzelf. Onze moskeeën moeten zo hartelijk zijn, dat niet-Muslims met hun problemen, die zich in de duisternis bevinden, naar ONS komen voor licht. Hoe wil je anderen licht geven als we ons zelf in zo’n toestand bevinden? Onze eerste verantwoordelijkheid is te werken aan de omgangsvormen thuis. En meteen daarna die van onze Massaadjid. Conferenties, onderwijsinstellingen, seminaries, programma’s, spreekbeurten, uitstapjes… Dat hoort er allemaal bij. Maar de instelling die Allah in het leven heeft geroepen en die altijd het herkenningspunt zal zijn van hoe een Muslimgemeenschap werkt en ook in de toekomst zal functioneren, is het huis van Allah. Als we het hebben over de schoonmaak in ons huis, dan gaat het over onze thuis èn het huis van Allah. Dat zijn onze twee “thuizen” en we MOETEN eraan werken. Als we de problemen in de Masjdid niet aanpakken, en ze niet tot een gastvrije omgeving voor gezinnen maken, gastvrij voor jongeren,… Ze hoort een plaats te zijn waar je niet wordt veroordeeld vanwege je kleding, voor wat je al dan niet weet, waar je niet wordt veroordeeld voor de manier waarop je bidt, voor je accent, de kleur van je huid,… Je wordt niet afgerekend op die zaken, je wordt niet gekeurd als je binnenkomt. En als dat wèl gebeurt, dan is er een ernstig probleem, want in de praktijk betekent dit dat we enkel holle praat te bieden hebben. Dat is alles wat we zijn: loos gepraat, we vertegenwoordigen niet echt de prachtige leer van onze Dien. We moeten die zaken dus aanpakken.
We kunnen over abstracte zaken praten, maar ik meen dat we – in de geest van wat onze dierbare Sheikh Abdul Nasir heeft gezegd – moeten terugkeren naar de realiteit, we moeten de zaken aanpakken waarmee we worden geconfronteerd. Wanneer we het hebben over de problemen van de wereld en hoe we die willen oplossen, dan kan dat pas als we eerst de problemen oplossen die we zèlf hebben. We moeten bij onszelf beginnen. En we moeten positief zijn. We moeten af van die negatieve houding: “Och er zal toch niets veranderen. Er is al zolang niets veranderd, dus zal het nu ook niet gebeuren.” Je moet positief denken! De verandering komt niet van jou of mij. De verandering komt van Allah! En Allah kan de harten van de mensen veranderen. Dus Hij heeft de controle over alles. Je moet daarop vertrouwen – en omdat Allah die zaken in de hand houdt, is er geen reden om negatief te zijn. Het is niet nodig om depressief te zijn! Dit is de belofte van Allah. In de vreselijkste periode van de Sirah (leven van Muhammad, vrede en zegeningen over hem), krijgen de Boodschapper (vrede en zegeningen over hem) en de gelovigen het volgende te horen… Uhud was één van de ergste periodes. Het verlies bij Uhud, iets van het allerergste. En wat zegt Allah (en daar sluit ik mee af): “Waarover maken jullie je zorgen? Maak je geen zorgen, wees niet zwak en wees niet droevig. Jullie zullen de bovenhand krijgen. Wees gerust.” Het enige wat ze moeten doen is “in kuntum moe’minien”: als jullie werkelijk ware gelovigen zijn. Met andere woorden: laat je zorgen achter bij Allah, laat je bekommernissen bij Hem. In de ergst mogelijke situatie – ze zijn gewond, ze bloeden, ze vluchten de berg op en kijken niet eens om naar hun broeders achter hen, zo erg was het! – zegt Allah nog: maak je geen zorgen.
Wat wij hebben kan daarmee niet worden vergeleken. Wij hebben het al bij al nog goed. We hebben heel wat redenen om gelukkig te zijn. We hebben veel redenen om dankbaar te zijn. En ik bid dat Allah, azza wa djal, ons maakt tot een dankbaar volk, en dat onze dankbaarheid zich vertaalt in positieve energie – in ons gezin, in onze gemeenschap en om ons heen – en ik hoop dat we die energie kunnen onderhouden en er elkaar mee kunnen aanmoedigen, zodat we geen dragers van droefheid, depressie en negativiteit worden, maar elkaar versterken in onze positieve energie insh’Allahu ta ‘aala.
Dit bericht werd geplaatst in Muslim zijn is..., Quran - onze gids en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.