RAMADAN – een geschenk voor de Muslims

(Samengevatte vertaling van “Ramadan – a gift for Muslims”
ook gepubliceerd als “Ramadan, blessed guest” van Nouman Ali Khan )
 
Ramadan staat voor de deur en dan is het goed dat we onszelf aan enkele belangrijke lessen daarover herinneren. Ik wil in deze bespreking vandaag drie dingen met jullie doen. Het eerste daarvan is waarschijnlijk het meest genegeerde wanneer we spreken over de Ramadan: 
 
De situering  van de Ayaat over de Ramadan in de Qur’an. 
De Qur’an heeft het slechts op één plaats over de Ramadan, in Surah Baqarah. En ook daar wordt hij maar één keer vermeld. Maar wààr en hoe? En wat is het verband met de tekst errond? We zullen begrijpen dat de Ramadan deel uitmaakt van een ruimere les, en een grotere wijsheid die Allah in Zijn Boek heeft geopenbaard. 
Ten tweede wil ik aandacht besteden aan de Ayaat zelf.
We zullen hopelijk enkele lessen trekken uit de Ayaat en de manier waarop Allah over de Ramadan spreekt. 
Tenslotte wil ik met jullie delen dat deze zes Ayaat alle wijsheid en kennis over het vasten omvatten. In die verzen ligt een geschenk van Allah vervat, een gelegenheid, en daarover wil ik het dan aan het einde hebben. 
 
In grote lijnen gezien bestaat Surah Baqarah uit twee conversaties. 
Zowat de eerste helft van Surat ul Baqarah heeft het over de Bani Isra’iel en de fouten  die ze hebben begaan. In een rechtbank worden ook de beschuldigingen van een misdadiger opgesomd en daarna volgt logischerwijs het oordeel, de straf. Dus aan het eind van die conversatie denken we ook : En? Wat is nu de uitspraak? 
 
Van die hele lijst misdaden wil ik er één onder de aandacht brengen: De Joden van Medina verwierpen de Profeet Muhammad (vrede en zegeningen over hem) vooral vanwege het feit dat hij niet tot de Kinderen van Israël behoorde: hij stamde af van de zonen van Isma’iel. Maar naar het einde van het gesprek over de Joden toe, laat Allah verstaan: “Prima! Jullie zeggen dat hij niet hoort tot de zonen van Isra’iel? Laten we het eens hebben over Isra’iel zelf!” Isra’iels andere naam is Yaqoeb (vrede zij met hem). Wie was zijn vader? Ishaaq. En wie was zijn vader? Ibrahiem.  “Is Ibrahiem dan geen familie van jullie?” 
 
Hij vertelt over Jaqoeb en zijn zonen aan zijn sterfbed. Het gaat hier niet over de echte 12 zonen van Isra’iel. Hij vraagt hen: “Wat gaan jullie aanbidden als ik er niet meer zal zijn?” en ze antwoorden heel nadrukkelijk: “We zullen jouw God aanbidden (illaahaka), en de God van je vaderen”. En dan noemen ze enkele van die voorvaders bij naam: “Ibrahiema, wa Isma’iela, wa Ishaaqa”. 
 
Nog voor ze hun eigen opa vermelden, noemen ze wie? Isma’iel! De Quran stelt: “De zonen van Isra’iel hadden meer respect voor Isma’iel dan voor hun eigen grootvader, want ze noemen hem éérst.” Allah wijst de Joden op wat hun eigen voorouders zelf hebben gezegd. Als ze hem niet respecteren en niet tot de familie rekenen, waarom vermelden ze Isma’iel dan? En diezelfde zonen van Isra’iel, de “Joden”, beschrijven hun godsdienst tegenover hun vader door te zeggen “wij zijn Muslims (onderworpenen)”. 
 
Dit zijn de slotargumenten van Allah tegenover de Israelieten: 
“Jullie zijn altijd al  Muslims geweest, 
en toen Muhammad de Islam ontving 
kreeg hij dat wat jullie al eerder gekregen hadden.
Willen jullie trouw zijn aan jullie traditie? 
Er niets zo trouw aan jullie traditie als de Islam zelf!” 
 
Nu is de zaak tegen hen duidelijk gemaakt, en wat doet Allah nu? Hij begint weer over Ibrahiem (vrede zij met hem): “Deze Ka’bah werd ook gebouwd door een van JULLIE voorvaderen, samen met zijn zoon Isma’iel die door jullie eigen voorvaderen werd geëerd.” Daarmee toont Allah alvast de geldigheid van de Ka’bah aan. 
 
En als dat is gebeurd, zegt Hij aan de Ummah: “Waar jullie ook zijn, wend jullie daarheen, jullie bidden niet meer in de richting van Jeruzalem.” (De Edele Quran 2:144) Tot op dat moment baden de Muslims met het gezicht naar Al Aqsa, in Jeruzalem, net als de Joden, net zoals Moesa, Iesa, alle profeten voor hem (vrede zij met hen allen). Aangezien de Quran een bevestiging is van de voorgaande Geschriften, sprak hij dat niet tegen:  zolang er geen nieuwe instructies kwamen, bad de Profeet (vrede en zegeningen over hem) in dezelfde richting. 
 
HOOFDSTAD, VOLK EN FEESTDAG
 
We noemen Mekka de hoofdstad van de Islam. Als je hoofdstad zegt, zeg je ook natie, een volk, niet? Voor Mekka de hoofdstad werd, was Jeruzalem de hoofdstad van de Islam. Wanneer Allah zegt dat ze nu in een andere richting moeten bidden, duidt Hij daarmee een nieuwe hoofdstad aan. Dat maakt ons tot een nieuw volk. Dus het is logisch dat Allah meteen daarna zegt: “Zo hebben Wij jullie tot een volk van de middenweg gemaakt.” 
 
En dit wordt interessant. Toen dat gebeurde stond de Joodse gemeenschap op stelten. Als de Joden van Medinah zichzelf hadden gezien als een àndere natie dan de Muslims, dan had het hen niet geraakt dat de Qibla  veranderde. Hun verontwaardiging bewijst dat ze wisten dat dit de ware godsdienst was: ze vonden zich er nog steeds bijhoren, ze konden de Profeet treiteren want dat hadden ze met alle andere ook al gedaan. Maar toen de hoofdstad veranderde beseften ze dat ze nu een volk apart werden en ze voelden zich geraakt. 
 
Kort samengevat:
na het opsommen van al die misdaden zegt Allah:
“Jullie waren Mijn bevoorrecht volk.

Jullie hebben jullie kans om het voorbeeld te zijn 
voor de mensheid verspild. 
Jullie hoofdstad is niet langer de hoofdstad.

Die wordt verlegd naar het Huis dat is gebouwd 
door Ibrahiem en zijn zoon Isma’iel. 

Voortaan bidden de Muslims in die richting, 
en ze zijn nu een nieuw volk.”

En aan de Muslims wordt gezegd: 
“Nu valt die verantwoordelijkheid 
als voorbeeldfunctie voor de mensheid op jullie!” 
 
We zijn dus een nieuw volk. Wat onderscheidt ons van het vorige? “Dit is het Boek waarin geen twijfel is.” (De Edele Quran 2:1) Het is de Quran die van ons een apart volk maakt. Onze hoofdstad is Mekka. Onze Constitutie is de Quran. En de dag waarop een Grondwet wordt vastgelegd en een volk wordt ingehuldigd, is een dag die wordt gevierd en herdacht: nationale feestdag, dag van de onafhankelijkheid… En wat doet Allah met ons? “De maand Ramadan is de maand waarin de Quran werd neergezonden.
 
De eerste definitie van de Ramadan is dat het de maand is waarin de Quran is neergezonden. (De Edele Quran 2:185) We leren hier iets heel krachtigs over de Ramadan. Elk volk heeft zijn onafhankelijkheidsdag. Maar de oprichting van deze Ummah is … een maand! 
 
Jullie vieren nu het feit dat jullie een Ummah zijn door deze ongelooflijke Constitutie die uit de hemelen komt en door Allah zelf is opgesteld. Dat vier je niet met één dag maar met dertig dagen!
 

Het eerste wat we dus erkennen in verband met de Ramadan
is dat hij onze status van nieuwe Ummah viert.
Wisten jullie dat we voorheen in dezelfde richting als de Joden baden? En we vastten ook op dezelfde dagen als de Joden. Voor de komst van de Ramadan vastte de Profeet (vrede en zegeningen over hem) op dezelfde dagen als zij. Waarom? Onze godsdienst is de bevestiging van de voorgaande Schriften en dus houdt de Profeet zich aan die gebruiken tot hem anders wordt opgedragen. Dat waren toen minder dan tien dagen (per jaar).
Nu, het eerste vers gaat eigenlijk over vasten: “Vasten is jullie opgelegd, net zoals het was opgelegd aan degenen die voor jullie kwamen” (De Edele Quran 2:183) Dus jullie vasten verschilt in niets van de hunne. Dit is het vers dat over de vasten gaat vòòr we het over de Ramadan hebben. Dat waren dus wellicht negen dagen: Allah gebruikt een “minimaal meervoud”, waarmee Hij duidt op een handvol dagen. En je mocht gemiste vastendagen (door reizen of ziekte) later inhalen. Maar er is nòg een voorziening, namelijk dat wie wèl kon vasten maar er geen zin in had dit kon afkopen door in plaats daarvan de armen te voeden.
Allah zegt over de Ramadan: 
“Eenieder die er getuige van is, laat hem die maand vasten.” 
Makkelijker of  moeilijker?
En dan zegt Hij dat wie op reis is of ziek is het mag inhalen. 
De andere mogelijkheid – afkopen – wordt echter niet meer vermeld… 
Makkelijker of  moeilijker?
Stel je de Muslims in die tijd voor, als ze die verandering horen. Net als ze denken: “Oei dit is moeilijk geworden” zijn de volgende woorden in de Quran: “Allah wil gemak voor jullie. Allah wil het jullie niet moeilijk maken.”
Hier gaan we zo meteen nog op door.
 
(wordt vervolgd)
 
Dit bericht werd geplaatst in Ramadan en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.