Ramadan – Juz per Juz (7)

JUZ 6  – Surah al-Maa’idah

(Ter informatie: De auteur heeft 6 en 7 gebundeld. Ik geef ze gescheiden weer.
Maar hierdoor gaat uiteraard iets van de samenhang verloren)

“O jullie die geloven! Eenieder van jullie
die zich afkeert van zijn godsdienst (Islam):
Allah zal hen vervangen
door een volk waarvan Hij zal houden
en zij zullen van Hem houden,
nederig tegenover de gelovigen,
streng tegenover de ongelovigen,
strijdend op de Weg van Allah
en zonder angst voor
het verwijt van de verwijters.
Dat is de Genade van Allah
die Hij schenkt aan wie Hij wil.
En Allah is voldoende voor de noden
van Zijn schepselen, Alwetend.” 

(De Edele Quran 5:54)

In dit edele vers zien we een waarschuwing van Allah.  Als we ons zouden inbeelden (en dat zou wel heel dwaas zijn) dat Allah ons en onze inspanningen nodig heeft, dan brengt Hij ons de Waarheid. Namelijk dat, als wij deze Dien verwaarlozen, Hij zeker diegenen zal voortbrengen die de vereisten ervan niet verwaarlozen en ze ook niet als iets vanzelfsprekend beschouwen. Dit lijkt op een ander vers, dat aantoont dat niet alleen degenen die de Islam verlaten zullen worden vervangen, maar ook degenen die zich afwenden van het vervullen van de verplichtingen (van de Islam):

“En als jullie je afwenden (van de Islam en de gehoorzaamheid aan Allah),
dan zal Hij jullie vervangen door een ander volk, en zij zullen niet zijn zoals jullie.”
(De Edele Quran 47:38)

We zien dat heel duidelijk in de realiteit. Hoevelen van ons zijn bang om de mensen openlijk op te roepen tot Allah? Toch zijn er onder degenen die tegenwoordig de Islam aannemen velen die meteen de Sunnah in zijn geheel aanvaarden, en al snel beginnen met mensen (vrienden, familie, collega’s, enz) uit te nodigen  tot de Islam, zonder schrik voor verwijten. Ze kennen de duisternis van de onwetendheid en van het ongeloof, en ze wensen voor iedereen om hen heen dat ze het licht van de Islam ontdekken. Laat deze Ayah daarom een sterke motivator voor ons zijn om de Leiding waarover we beschikken niet als vanzelfsprekend te beschouwen en om de kans te vermijden dat we door een beter iemand worden vervangen. 

Bovendien toont deze Ayah duidelijke wegen naar de liefde van Allah. We wensen allemààl dat Allah van ons zou houden. Dus wordt ons hier verteld dat die liefde samengaat met vijf eigenschappen:

Houden van Allah (meer dan van wie of wat ook)

Anas (moge Allah tevreden zijn over hem) verhaalt dat Allah’s Boodschapper (Allah’s vrede en zegeningen over hem) heeft gezegd: “Al wie beschikt over drie eigenschappen zal de zoetheid van het geloof hebben geproefd: (1) degene voor wie Allah en Zijn Boodschapper (Allah’s vrede en zegeningen over hem) dierbaarder zijn dan al het andere, (2) degene die van iemand houdt enkel en alleen omwille van Allah en (3) degene die het haat terug te keren naar ongeloof nadat Allah hem heeft gered, zoals hij het zou haten om in een vuur te worden gegooid.” (Hierover heerst overeenstemming)

Nederig omgaan met de gelovigen 

Dit verwijst naar de houding die we moeten aannemen tegenover onze broeders en zusters: dat we vergevensgezind zijn tegenover hen, dat we manieren zoeken waarop we hen gelukkig kunnen maken en dat we hun lasten en zorgen proberen te verlichten. Ibn ‘Umar vertelt dat een man aan Rasul Allah (Allah’s vrede en zegeningen over hem) vroeg wat voor Allah de meest geliefde daad was. En hij (Allah’s vrede en zegeningen over hem) antwoordde: “Om blijheid te brengen aan je mede-Muslim. Om een van zijn zorgen weg te nemen, om een van zijn schulden af te betalen, om hem te verlossen van zijn honger (door hem te voeden) …” (Hasan Al-Asbahani). En ‘Ata ibn abi Rabaah heeft gezegd: “Zoals een vader voor zijn kinderen en een dienaar voor zijn meester.”

Streng zijn voor de ongelovigen

Dit betekent niet dat je ruw en onbeleefd moet zijn, maar standvastig, en dat je jezelf niet tegenover hen vernedert. Het betekent dat je handelt met de eerbiedwaardigheid die  voortkomt uit het feit dat je Muslim bent en trots op je Dien. Dat is wat ‘Umar ibnul Khattab aan Abu ‘Ubaidah ibnul Jarraah heeft gezegd bij diens aankomst in de buitenrand van Jeruzalem, toen Abu ‘Obaidah zich bezorgd toonde over de eenvoudige kleding van ‘Umar  terwijl die op het punt stond de Partriarch van Jeruzalem te ontmoeten: “Wij zijn mensen die Allah vereerd heeft door (de praktijk van) de Islam. En als we respect zouden willen verwerven aan de hand van iets anders, dan zou Allah ons zeker vernederen.” 

Streven op het Pad van Allah

De verwijten van de verwijters niet vrezen

Dat betekent dat we de Sunnah in de praktijk brengen en niet bang zijn voor de spot en de aanvallen van de ongelovigen, die deze edele godsdienst willen bekritiseren en vernederen. ‘Ubada ibn As-Saamit (moge Allah tevreden zijn met hem) heeft gezegd: “We zwoeren onze eed van trouw aan Allah’s Boodschapper: dat we naar hem zouden luisteren en hem zouden gehoorzamen in tijden van gemak zowel als in tijden van moeilijkheden, dat we nooit tegen een heerser zouden strijden of hem ongehoorzaam zouden zijn, dat we standvastig voor de waarheid zouden opkomen of de waarheid zouden zeggen, waar we ook waren, en dat we op het  Pad van Allah  niet bang zouden zijn voor de  verwijten van de verwijters.”


Verderop in Surah al-Maa’idah staat nog een heel belangrijke Ayah die veel voordelen bevat:

“O jullie die geloven! Draag zorg voor julliezelf.
Als jullie de ware Leiding volgen (en opdragen
wat goed is en verbieden wat slecht is)
dan kan jullie geen schade overkomen
van hen die in dwaling verkeren.
De terugkeer van jullie allen is bij Allah.
Dan zal Hij jullie inlichten
over (alles) wat jullie hebben gedaan.” 

(De Edele Quran 5:105)

In deze gezegende Ayah beveelt Allah de gelovigen om zichzelf te hervormen en om zich zorgen te maken over hun daden. Het is een belangrijk punt dat vaak over het hoofd wordt gezien, omdat mensen vaak de wereld rondom zich willen hervormen vooraleer ze de nodige aandacht aan zichzelf besteden. De Muslims zullen veel succesvoller zijn in hun Dawah tegenover anderen als ze dat ze aan de andere leren ook in hun eigen leven hebben toegepast. In veel gevallen is het gedrag van zo iemand op zich al Dawah, zonder dat er nog veel nood is aan woorden en uitleg. 

Dan laat Allah de gelovigen weten dat – als ze de juiste Leiding volgen, “vasthoudend aan het rechte Pad van Allah zoals het wordt getoond in de Quran en de Sunnah” – degenen die in dwaling verkeren hen niet kunnen schaden en hen niet kunnen doen dwalen. De juiste uitleg voor dit deel van de Ayah, waar het gaat over het goede gebieden en het kwade verbieden, werd vermeld in de volgende Hadith: 

Abu Bakr as-Siddeeq (moge Allah tevreden zijn over hem) stond op een keer op en zei tegen de mensen: “O mensen, jullie reciteren wel de Ayah: ‘O jullie die geloven! Draag zorg voor julliezelf. Als jullie de ware Leiding volgen, dan kan jullie geen schade overkomen van hen die in dwaling verkeren’, maar jullie begrijpen ze verkeerd. Ik heb waarlijk de Boodschapper van Allah (Allah’s vrede en zegeningen over hem) hierover horen zeggen: ‘Als de mensen een kwaad zien en het nalaten om het te veranderen, dan vrees ik dat Allah hen allen zal omgeven met een bestraffing van Hem’.” (Sahih – Tirmidhi, Ibn Majah)

Met andere woorden, de  meest precieze uitleg voor het volgen van de juiste Leiding is dat we het goede gebieden en het kwade verbieden, eens we ze duidelijk begrijpen. Dit is een veel voorkomend thema doorheen de Quran en de Ahadith van de Profeet (Allah’s vrede en zegeningen over hem), zoals blijkt uit de onderstaande verwijzingen. 

Hudhayfah bin Al-Yaman heeft gezegd dat de Profeet (Allah’s vrede en zegeningen over hem) heeft gezegd: “Bij Hem in Wiens Hand mijn ziel zich bevindt! Jullie zullen rechtschapenheid gebieden en kwaad verbieden, of Allah zal een bestraffing van Hem over u neerzenden. Dan zullen jullie Hem smeken, maar Hij zal jullie smeekbede niet aanvaarden.” (Hasan – Ahad, Tirmidhi)

Abu Sa’id Al-Khudri zei dat de Boodschapper van Allah (Allah’s vrede en zegeningen over hem) heeft gezegd:

“Diegene onder jullie die getuige is van kwaad, laat hij het veranderen met zijn hand. Als hij dat niet kan, dan met zijn tong. Als hij zelfs dàt niet kan doen, dan met zijn hart. En dat is het zwakste geloof.” (Muslim)

Aub Sa’id Al-Khudri heeft gezegd dat de Boodschapper van Allah een toespraak hield en zei: “Ziet! Vrees voor de mensen mag iemand er niet  van weerhouden de waarheid te zeggen als hij ze kent.” Abu Sa’id weende daarop en zei: “Bij Allah! We hebben fouten gezien, maar we vreesden (de mensen).”
(Sahih – Ibn Majah)

 

 

Bron: http://muslimmatters.org/2008/09/02/ramadan-reflections-a-daily-journey-through-the-quran-2/
Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Ramadan en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.