Ramadan – Juz per Juz (8)

JUZ 7 – Surat al-An’aam

(Ter informatie: De auteur heeft 6 en 7 gebundeld. Ik geef ze gescheiden weer.
Maar hierdoor gaat uiteraard iets van de samenhang verloren)

Ibn ‘Abbas heeft gezegd: “De hele Surah Al-An’am werd ’s nachts geopenbaard,
in Mekka, vergezeld door zeventigduizend opstijgende Engelen.

“Wanneer zij die in Onze Tekenen geloven
naar jou toekomen,
zeggend ‘vrede zij met jou’,
dan heeft jouw Heer
zichzelf Barmhartigheid opgelegd.
Verricht hij goede daden (door Allah te gehoorzamen),
dan waarlijk: Hij is de Vergevensgezinde,
de Meest Barmhartige.”

(De Edele Quran 6:54)

Ik heb deze prachtige Ayah voor onze bespreking gekozen, vanwege haar talloze toepassingen voor ons als Muslims. Een van de tekenen van het Uur die de Profeet (Allah’s vrede en zegeningen over hem) voorspeld heeft was de ‘begroeting met onderscheid’: dat de Salaam enkel nog wordt gegeven aan bekenden en weerhouden van anderen. Het is een ongelukkige zaak dat we nu al in onze eigen gemeenschappen zien dat iemand voor het eerst een moskee binnenkomt en als het ware wordt genegeerd door een groot deel van de mensen die daar zijn, omdat ze die persoon niet kennen. Hadden ze de enorme beloning voor de begroeting gekend, en hadden ze geweten dat dit een recht is van een mede-Muslim over hen, dan zouden ze zich zeker hebben gehaast. Hier vind je slechts enkele van de Ahadith over dit ruime onderwerp:

Abd-allah ibn ‘Umar verhaalt dat een man aan de Boodschapper van Allah (Allah’s vrede en zegeningen over hem) vroeg: “Wat is het beste in de Islam?” Hij zei: “Het voeden van anderen en het geven van de groet met Salaam aan hen die je kent en aan hen die je niet kent.” (Hierover heerst overeenstemming)

Al-Sanoosi heeft in “Ikmaa al Mu’allim” gezegd: “Wat wordt bedoeld met ‘Salaam’ is de begroeting tussen mensen, die zaadjes van liefde en vriendschap in hun harten zaait, zoals het geven van voedsel dat doet. Er kan zich een zwakte bevinden in het hart van een van hen die wordt weggewerkt wanneer hij wordt gegroet. Of er kan vijandigheid zijn, die door de begroeting wordt omgezet in vriendschap.”

Abu Hurairah (moge Allah tevreden zijn over hem) vertelt dat de Boodschapper van Allah (Allah’s vrede en zegeningen over hem) heeft gezegd:

“Jullie zullen het Paradijs niet binnengaan zolang jullie niet geloven, en jullie zullen niet geloven zolang jullie niet van elkaar houden. Zal ik jullie niet vertellen over iets waardoor, als je het doet, jullie van elkaar zullen houden? (…) Verspreid de Salaam onder jullie.” (Muslim)

Abu Hurairah (moge Allah tevreden zijn over hem) vertelt dat een man aan de Boodschapper van Allah (Allah’s vrede en zegeningen over hem) voorbij kwam terwijl hij daar met anderen zat en hij zei: “Salaam alaykum (Allah’s vrede zij met jullie)”. De Profeet (Allah’s vrede en zegeningen over hem zei): “(Hij zal) tien hasanaat (beloningen) (ontvangen).” Een andere man passeerde hen en zei: “Salaam alaykum wa Rahmat Allah (Allah’s vrede zij met jullie en de Genade van Allah).” De Profeet (Allah’s vrede en zegeningen over hem) zei: “(Hij zal) twintig hasanaat (ontvangen).” Weer een anderen man kwam voorbij en zei “Salaam alaykum wa Rahmat Allah wa Barakaatuhu (Allah’s vrede zij met jullie en de Genade van Allah en Zijn Zegeningen).” De Profeet (Allah’s vrede en zegeningen over hem) zei: “(Hij zal) dertig hasanaat (ontvangen).” (Sahih – Nasaa’i)

Allah gaat dan in de Ayah door met te verklalren dat Hij Zichzelf heeft verplicht tot Barmhartigheid. Daarmee bedoelt Hij dat Hij barmhartig zal zijn, medelevend en vergevensgezind voor Zijn slaven, vooral voor degenen die zondigen uit onwetendheid. En, zoals de tafsirgeleerden hebben verduidelijkt, iedereen die zondigt doet dat uit onwetendheid. Dit verheven kenmerk van Allah werd vermeld in de volgende beroemde Hadith Qudsi:

Abu Hurairah heeft gezegd dat de Boodschapper van Allah (Allah’s vrede en zegeningen over hem) heeft gezegd: “Toen Allah de Schepping had voltooid, schreef Hij in een Boek dat Hij bij Zich heeft, boven de Troon: ‘Mijn Barmhartigheid overtreft Mijn Woede’.” (Hierover heerst overeenstemming)

En we bespreken nog kort het laatste vers:

“En beledig niet hen die zij (de ongelovigen) aanbidden naast Allah,
opdat zij niet ten onrechte Allah beledigen zonder kennis.
Zo hebben wij voor elk volk hun gebruiken schoonschijnend gemaakt.
Daarna is hun terugkeer bij hun Heer en Hij zal hen inlichten
over alles wat zij hebben gedaan.”
(De Edele Quran 6:108)

In deze Ayah wordt een mooi en belangrijk beginsel geïllustreerd, namelijk de voorkeur voor het minste kwaad, of anders geformuleerd: een goede daad vermijden uit vrees daardoor in een groter kwaad te vervallen. Dat je hetgeen de ongelovigen vereren niet kleineert is op zich een kwaad, maar dat zij op hun beurt Allah zouden kunnen beledigen is nog veel erger. ‘Ali bin Abi Talhah heeft gezegd dat Ibn ‘Abbas over deze Ayah als commentaar heeft gegeven: “Zij (de ongelovigen) zegden: “O Muhammad! Hou op met onze goden te beledigen of wij zullen jouw Heer beledigen.” Hierna heeft Allah de gelovigen verboden om de afgoden van de ongelovigen nog te beledigen.

Wat dit principe (een goede daad nalaten om een groter kwaad te vermijden) betreft, is er overgeleverd dat de Boodschapper van Allah (Allah’s vrede en zegeningen over hem) heeft gezegd:

“Vervloekt is hij die zijn eigen ouders beledigt!”. Ze zegden: “O Allah’s Boodschapper! En hoe zou een man zijn eigen ouders dan beledigen? ” Hij zei: “Hij beledigt iemands vader, en die man beledigt zijn vader. En hij beledigt zijn moeder, en die man beledigt zijn moeder.” (Hierover heerst overeenstemming)

En Allah weet het best

Bron: http://muslimmatters.org/2008/09/02/ramadan-reflections-a-daily-journey-through-the-quran-2/
Dit bericht werd geplaatst in Ramadan en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.