Ramadan – Juz per Juz (12)

JUZ 11 – Surat at-Tawbah

Onder de prachtige Ayaat in deze enorme Soera is er een die door haar bespreking van het berouw de lezer met begrip doet wenen. Ze wordt ook in verband gebracht met de meest ontroerende en hartversterkende verhalen in de Profetische literatuur:

“En (Hij vergaf ook) tegenover de drie die waren achtergebleven (*), totdat de aarde met (al) haar weidsheid voor hen te nauw werd en zij benauwdheid voelden en zij overtuigd waren dat er geen toevluchtsoord was tegen (de bestraffing van) Allah behalve bij Hem. Daarna aanvaardde Hij hun berouw, opdat zij berouwvol zouden blijven. Voorwaar, Allah, Hij is Vergevensgezind, Meest Barmhartig.” (De Edele Quran 9:118)

(* ze hadden niet deelgenomen aan de expeditie naar Taboek, en de Profeet had het oordeel over hen uitgesteld, en overgelaten aan Allah’s Beslissing)

Een groot deel van Soera at-Tawba behandelt de Taboek-campagne waarin de Profeet (vrede en zegeningen over hem) de Muslims naar het noordwesten van het Arabische schiereiland leidde, om er het keizerlijke leger van het Oost-Romeinse (Byzantijnse) Rijk te treffen. Dat was in het negende jaar na de Hijrah. De Soera bespreekt met veel details de hypocrisie en stelt de hypocrieten en hun gekonkel aan de kaak. Ze bespreekt in het bijzonder degenen die waren achtergebleven tijdens de expeditie naar Taboek en die er, ondanks het bevel van de Profeet (vrede en zegeningen over hem) niet aan hadden deelgenomen. Drie van de achterblijvers werden echter anders behandeld dan de anderen, en het verhaal van een van deze Metgezellen wordt ons verteld in een lange maar prachtige Hadith, die ik hieronder heb toegevoegd als lectuur voor jullie en die we later verder zullen analyseren, insh’Allah. Dit werd door ‘Abdullah bin Ka’b bin Maalik, die later Ka’b’s gids werd toen die blind werd. Hij vertelde:

Ik hoorde Ka’b bin Maalik praten over het voorval in verband met het feit dat hij niet had deelgenomen aan de Slag bij Taboek. Ka’b zei:

Ik was bij geen enkele campagne waarin de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) streed afwezig, behalve voor de Slag bij Taboek. Het was ook wel zo dat ik afwezig was bij de slag bij Badr, maar niemand werd terechtgewezen voor het feit dat hij er niet aan heeft deelgenomen (omdat het niet als veldslag was bedoeld, maar begon als een raid op een karavaan). Werkelijk, de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) vertrok op zoek naar een karavaan van de Quraysh, waarna bepaalde voorvallen plaatsvonden waarna Allah de twee legers onverwacht bijeenbracht. Waarlijk, ik was getuige van de nacht van Al-‘Aqabah (de eedaflegging) met de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem), de nacht waarin we trouw zwoeren aan de Islam. Bovendien zou ik dat niet willen inruilen voor deelname aan de Slag bij Badr, ook al vinden de mensen de Slag bij Badr belangrijker. Wat mijn nieuws betreft: ik was voorheen nooit sterker of rijker geweest dan op het moment waarop ik achter de Profeet (vrede en zegeningen over hem) bleef voor die campagne (van Taboek). Bij Allah – ik had voorheen nooit twee wijfjeskamelen bezeten, tot het moment van die veldslag. De Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) had de gewoonte zijn voornemen voor een militaire expeditie te verhullen door naar andere campagnes te verwijzen, tot de tijd voor die expeditie aanbrak. De Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) vatte die expeditie aan tijdens een extreem heet seizoen. Het was een lange reis doorheen woestijngebied. Bovendien was het vijandige leger talrijk. Op die manier legde de Profeet (vrede en zegeningen over hem) de zaak uit aan de Muslims, zodat ze zich gepast konen voorbereiden op hun campagne, en vertelde hij hen over het doel dat hij voor ogen had. De Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) werd vergezeld door een aanzienlijk aantal Muslims, wiens namen niet in een boek konden worden genoteerd.

Ka’b ging verder: Iedereen die afwezig wilde blijven (voor die veldtocht) ging ervan uit dat zijn afwezigheid niet eens zou worden opgemerkt, tenzij ze werd geopenbaard door Allah door middel van Goddelijke Openbaring. De Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) ondernam die veldtocht in een seizoen waarin het fruit rijp was geworden en de schaduw aangenaam. De Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) en de Muslims voorzagen zich van de nodige voorraden. Ook ik vertrok om me voor te bereiden, maar ik keerde terug zonder iets te bereiken. Ik zei in mezelf: “Ik ben in staat me voor te bereiden” en zo stelde ik mijn voorbereidingen alsmaar uit. De mensen waren echter ernstig begaan met deze reis, tot de dag kwam waarop de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) en de Muslims vertrokken. Ik had echter nog niet eens een deel van mijn voorbereidingen afgewerkt. Ik zei bij mezelf: “Ik zal me in een dag of twee na zijn vertrek klaarmaken en dan zal ik ze inhalen.” De ochtend na hun vertrek begon ik mijn uitrusting te verzamelen. Ik kwam echter terug zonder iets te hebben bereikt. De volgende ochtend begon ik er opnieuw aan, maar ik kwam weer terug zonder iets te hebben gerealiseerd. Dat ging zo door tot zij zich in de strijd stortten en de veldtocht voorbij was. Toch nam ik me voor te vertrekken en hen te vervoegen. Ik wou dat ik dat had gedaan! Maar ik was blijkbaar niet voorbestemd om dat te doen. Na het vertrek van de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) mengde ik me onder de mensen en het werd voor mij een bron van verdriet. Want ik zag enkel degene die werd verdacht van hypocrisie, of de zwakke en de gehandicapte die Allah van deelname had ontslagen. De Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) herinnerde zich me pas toen hij terug in Taboek kwam. Hij zat tussen zijn mensen in Taboek en vroeg: “Wat is er met Ka’b gebeurd?” Een man van de stam van Bani Salimah antwoordde: “O Boodschapper van Allah, hij werd door zijn gewaden en het genot van zijn kleren en zichzelf verhinderd.” Mua’adh bin Jabal zei: “Wat een gemene uitspraak die je daar doet. O Boodschapper van Allah, we weten over hem niets dan goeds.” Daarop werd de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) stil. Terwijl hij in die houding zat, zag hij een man in een wit gewaad, reëel in zijn essentie (geen luchtspiegeling). De Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) zei: “Moge het Abu Khaythama al-Ansaari zijn. Hij is degene die een maat dadels heeft geschonken toen de Munaafiqien (hypocrieten) zijn eer besmeurden.”

Ka’b bin Maalik ging verder: Toen ik hoorde dat hij zich had omgekeerd om terug te komen, werd ik door verdriet verteerd en begon ik daarom leugens te verzinnen. Ik vroeg me af: waarmee kan ik morgen zijn woede ontlopen? Ik vroeg hulp bij iedereen in mijn familie die goed bij zinnen en goed van oordeel was. Toen werd gezegd dat de aankomst van de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) nabij was, verdwenen alle valse excuses die ik had bedacht uit mijn geest. Ik erkende dat ik mezelf niet door valsheid uit die netelige positie kon verlossen. Daarom nam ik me voor de waarheid te zeggen. De Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) kwam de volgende ochtend aan. Het was een gewoonte van de Profeet (vrede en zegeningen over hem) om bij zijn terugkeer van een reis meteen naar de moskee te gaan, er twee Rak’ah te bidden en nadien onder de mensen te gaan zitten. Nadat die zaken hadden plaatsgevonden, benaderden de afwezigen hem. Ze begonnen hun excuses voor te leggen en zwoeren daarbij. Er waren meer dan tachtig mannen. De Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) aanvaardde hun verontschuldigingen en hun eden en vroeg in hun naam om vergiffenis. Bovendien vertrouwde hij hun geheime aangelegenheden toe aan Allah.

Daarop kwam ik bij hem en groette hem. Hij glimlachte – de glimlach van iemand die woedend is. Toen zei hij: “Kom naar voren.” Daarom kwam ik stappend naar hem toe, tot ik voor hem zat. Toen zei hij: “Wat weerhield jou ervan ons te vergezellen? Had je niet een rijdier gekocht?”
Ik antwoordde: “Natuurlijk, O Boodschapper van Allah. Echter, bij Allah, als ik in het gezelschap van een andere man onder de inwoners van deze wereld zou zijn, dan zou ik proberen te ontsnappen aan zijn woede door een excuus te verzinnen, aangezien ik de kunst heb gekregen om welsprekend en overtuigend te spreken. Ik besef echter dat, als ik vandaag een leugen uitspreek om uw tevredenheid te verkrijgen, Allah ervoor zal zorgen dat je in de toekomst kwaad op me wordt. Als ik je echter de waarheid vertel en je daardoor kwaad wordt, kan ik nog altijd hopen op Allah’s Vergiffenis. Neen, bij Allah! Ik kan geen excuus voorleggen. Ik was voorheen nooit sterker of rijker dan in de periode waarin ik het naliet je te vergezellen.”
De Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) antwoordde: “Wat deze man betreft, hij heeft de waarheid gesproken. Sta daarom, tot Allah oordeelt in deze aangelegenheid.” Dus stond ik op. Een groep mannen van de stam van Bani Salimah werd onordelijk en begon me te volgen. Ze zeiden: “Bij Allah, we hebben nooit geweten dat jij een misdaad beging. Waarlijk, je hebt er verkeerd aan gedaan je niet tegenover de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) te verontschuldigen zoals de andere afwezigen zich hebben verontschuldigd. Het feit dat de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) voor jou om vergiffenis zou hebben gebeden, had voor jou volstaan.” Ze gingen door met mij terecht te wijzen tot ik zin kreeg om terug te keren naar de Profeet (vrede en zegeningen over hem) en een leugen tegen mezelf te verzinnen (door mijn eigen verhaal tegen te spreken). Ik vroeg hen echter: “Is er nog iemand in een gelijkaardige situatie?” Ze antwoordden: “Ja, er zijn twee mannen die dezelfde verklaring hebben afgelegd als jij, en ze hebben dezelfde instructie gekregen als jij.” Ik vroeg: “Wie zijn die twee?” Ze antwoordden: “Murarah bin al-Rabie en Hilaal bin Uamyyah al-Waaqifie.” Met hun verklaringen verwezen ze naar twee deugdzame mannen, die hadden deelgenomen aan de Slag bij Bader en die voorbeelden waren om na te volgen. Nadat ze die twee mannen hadden vernoemd, hield ik me standvastig aan mijn oorspronkelijke verklaring.

Daarna verbood de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) de Muslims om met ons, de drie onder ons die hadden nagelaten hem te vergezellen, te praten. Als gevolg daarvan meden de mensen ons en veranderden ze hun houding tegenover ons, tot het land waarin ik leefde me een vreemd land toescheen, zonder iemand met wie ik vertrouwd was. We bleven in die toestand gedurende vijftig nachten. Wat mijn gezellen betreft, die trokken zich terug in hun huizen en bleven binnen zitten, wenend. Ik was echter de jongste en de meest toegeeflijke van de drie. Dus verliet ik het huis om het gebed met de andere Muslims te verrichten. Ik dwaalde over de markten, maar niemand wilde met me praten. Ik benaderde de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) en groette hem terwijl hij in zijn bijeenkomsten zat die plaats vonden na het gebed. Ik vroeg me af: “Hebben zijn lippen bewogen als antwoord op mijn groet of niet?” Daarna verrichtte ik het gebed vlakbij hem en keek ik stiekem naar hem. Terwijl ik bezig was met het gebed, keerde hij zich naar me toe. Echter, wanneer ik in zijn richting keek, meed hij me. Toen deze periode van vervreemding maar bleef duren, vertrok ik voor een wandeling tot ik over de muur rond de tuin van Abu Qatadah klom. Hij was mijn neef en een van de mensen van wie ik het meest hield. Ik begroette hem en, bij Allah, hij groette me niet terug. Daarom zei ik: “O Abu Qatadah, ik smeek je bij Allah. Ben jij je er dan niet van bewust dat ik houd van Allah en Zijn Boodschapper?” Hij bleef zwijgen. Ik deed een tweede keer beroep op hem, bij Allah, maar hij bleef stil. Toen antwoordde hij: “Allah en Zijn Boodschapper (vrede en zegeningen over hem) zijn beter in kennis.” Daarop stroomden de tranen uit mijn ogen. Ik keerde me om en klom over de muur. En later, toen ik over de markt van Medina liep, zag ik een Christen boer van de landbouwers uit Groot-Syrië, die naar Medinah was gereisd om zijn producten te verkopen. Hij zei: “Wie zal me de weg tonen naar Ka’b bin Maalik?” De mensen begonnen in mijn richting te gebaren tot hij me benaderde en me een brief overhandigde van de Koning van Ghassan, waarin stond: “Verder is het onder onze aandacht gebracht dat uw gezel u op een hardvochtige manier heeft behandeld. Allah heeft deze wereld voor u niet gemaakt tot een verblijf van ongenade en vernedering, noch van verlies en ondergang. Vervoeg ons daarom en we zullen u de troost en eer schenken die u verdient.” Toen ik dat las, dacht ik bij mezelf: “Ook dit is een beproeving die voor me wordt geplaatst. Daarom gooide ik de brief in de oven en verbrandde hem.

Toen een periode van veertig van die vijftig nachten voorbij was, benaderde de boodschapper van de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) mij en zei: “De Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) beveelt je je van je vrouw te distantiëren.” Ik zei: “Moet ik van haar scheiden? Of wat is het dat ik moet doen?” Hij antwoordde: “Nee, neem afstand van haar en benader haar niet. De Profeet (vrede en zegeningen over hem) heeft gelijkaardige richtlijnen uitgevaardigd aan je twee gezellen.” Daarom zei ik tot mijn vrouw: “Ga naar je ouders en blijf bij hen tot Allah oordeelt in deze zaak.” Ka’b zei: De vrouw van Hilaal bin Umayyah kwam bij de Apostel van Allah (vrede en zegeningen over hem) en zei: “O Boodschapper van Allah, waarlijk, Hilaal bin Umayyah is een oude man die niet in staat is voor zichzelf te zorgen. Bovendien bezit hij geen dienaar. Zou u er daarom iets op tegen hebben als ik hem bedien?” Hij antwoordde: “Nee, maar hij mag je niet benaderen.” Ze zei: “Bij Allah, hij verlangt naar niets. Bij Allah, hij heeft niet opgehouden te wenen sinds de dag dat deze zaak begon tot op dit moment.” Enkele van mijn familieleden vroegen me: “Waarom vraag je geen toestemming van de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) in verband met je vrouw, zoals hij heeft toegelaten dat de vrouw van Hilaah bin Umayyah hem bedient?” Ik antwoordde: “Bij Allah, ik zal niet om de toestemming van de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) vragen in verband met haar. Ik heb geen idee van wat de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) zou zeggen als ik hem in verband met haar om zijn toestemming zou vragen terwijl ik nog een jonge man ben.” Ik bleef in die toestand gedurende tien bijkomende nachten, tot er vijftig nachten voorbij waren gegaan sinds hij de mensen had verboden met ons te praten.

In de ochtend van de vijftigste nacht verrichtte ik het Fajr gebed op het dak van een van onze huizen. Ik ervoer een toestand die Allah in het Boek heeft vermeld: Mijn ziel was ineengekrompen en de aarde had zich ondanks haar wijsheid om me heen gesloten. Plots hoorde ik een heldere stem die uit de richting van de Berg Sala kwam. Iemand verkondigde met zijn luidste stem: “O Ka’b bin Maalik, ik breng jou goed nieuws!” Ik wierp me ter aarde neer. Ik besefte dat verlossing van deze rampspoed was gekomen en dat de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) had aangeduid dat Allah ons berouw had toegekend. Na het Fajr gebed kwamen de mensen daarop naar ons toe om ons te feliciteren, en dragers van het goede nieuws vertrokken naar mijn twee gezellen. Een ruiter spoedde zich naar me toe om me geluk te wensen en een boodschapper van de stam van Aslam liep naar de berg en beklom hem om de aankondiging te doen. Ik hoorde zijn stem voor ik die van de ruiter hoorde. Toen de persoon wiens stem ik had gehoord me benaderde om me het goede nieuws te brengen, legde ik mijn bovenkleding af en kleedde hem ermee. Bij Allah, op die dag bezat ik geen andere gewaden. Daarom leende ik twee stukken, kleede me aan en ging op weg naar de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem). De mensen begonnen me te onthalen, in groepen, en feliciteerden me met de aanvaarding van mijn berouw. Z e zegden: “We feliciteren je met Allah’s aanvaarding van je berouw.” Toen ik de moskee binnenkwam, zat de Boodschapper van Allah daar, omringd door mensen. Talha bin ‘Ubaidullah spoedde zich naar me toe. Hij schudde me de hand en feliciteerde me. Bij Allah, niemand van de Muhaadjirien (de Uitwijkelingen naar Medina) stond op om me te groeten, behalve hij , en ik zal nooit vergeten dat Talha dat heeft gedaan!

Ka’b ging verder: Toen ik de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) begroette, straalde zijn gelaat van geluk en hij zei: “Ik geef je het goede nieuws van de beste dag die je hebt meegemaakt sinds je moeder je ter wereld bracht”. Ka’b ging verder: “Is dat van u of van Allah?” Hij antwoordde: “Neen, het is van Allah.” Telkens de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) zich verheugde, straalde zijn gezicht tot het leek op een stukje van de maan. We erkenden dat dit typisch voor hem was. Toen ik voor hem zat, zei ik: “O Boodschapper van Allah, ter ere van de aanvaarding van mijn berouw zal ik mijn hele bezit schenken als liefdadigheid, omwille van Allah en Zijn Boodschapper.” De Boodschapper (vrede en zegeningen over hem) antwoordde: “Houd een deel van je bezit, want het is beter dat je dat doet.” Ik zei: “Ik zal een deel van mijn bezit in Khaibar behouden. O Boodschapper van Allah, waarlijk Allah heeft me van deze beproeving verlost omdat ik de waarheid heb gezegd. Mijn berouw verplicht me ertoe dat ik enkel nog de waarheid zal spreken, zolang ik leef.”

Bij Allah, ik heb geen weet van enige persoon onder de Muslims die Allah meer dan mij heeft gezegend voor het spreken van de waarheid, sinds de tijd waarin ik die woorden van waarheid uitte tegenover de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem). Bovendien heb ik ook nooit de intentie gehad een onwaarheid uit te spreken sinds de tijd waarin ik die woorden van waarheid tegenover de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen) heb gesproken tot op de dag van vandaag. Verder hoop ik dat Allah me ervoor zal behoeden om een onwaarheid te uiten tijdens het deel van mijn leven dat nog komt. Allah heeft aan Zijn Boodschapper het volgende vers geopenbaard:

“Voorzeker, Allah heeft het berouw van de Profeet aanvaard en van de Uitgewekenen en de Helpers die hem volgden in het uur van de nood, nadat de harten van een groep van hen bijna geneigd was (zich af te wenden). Daarna aanvaardde Hij hun berouw. Voorwaar, Hij is voor hen Meest Genadig, Meest Barmhartig. En (ook) tegenover de drie die waren achtergebleven, totdat de aarde met (al) haar weidsheid voor hen te nauw werd en zij benauwdheid voelden en zij ervan overtuigd waren dat er geen toevluchtsoord was tegen (de bestraffing van) Allah, behalve bij Hem. Daarna aanvaardde Hij hun berouw, opdat zij berouwvol zouden blijven. Voorwaar, Allah, Hij is Vergevensgezind, Meest Barmhartig. O jullie die geloven, vreest Allah en weest met de waarachtigen. “
(De Edele Quran 9:117-119)

Bij Allah, nadat Hij me naar de Islam heeft geleid, heeft Allah me geen omvangrijker gunst geschonken dan mijn verklaring van de waarheid aan de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) en het feit dat ik hem geen leugen heb verteld. Want ik zou mezelf hebben vernietigd, zoals degenen die gelogen hebben werden vernietigd. Allah heeft degenen die een onwaarheid hebben geuit een omschrijving toegedicht die veel erger is dan Hij ooit voor iemand anders heeft gedaan toen Hij Zijn Openbaring openbaarde. Allah, gezegend is Hij en Meest Verheven, heeft verklaard:

“Zij zullen tegenover jou bij Allah zweren wanneer jullie tot hen zijn teruggekeerd, opdat jullie je van hen afwenden. Wendt jullie dan van hen af. Voorwaar, zij zijn onrein en hun verblijfplaats is de Hel, als vergelding voor wat zij plachten te verrichten. Zijzweren tegenover jullie, opdat jullie welbehagen aan hen zullen hebben. En als jullie welbehagen aan hen hebben, voorwaar, Allah heeft geen welbehagen aan het zwaar zondige volk.”
(De Edele Quran 9:95-96)

Ka’b ging verder: Wij, de drie die nalieten deel te nemen, verschilden van degenen wiens excuses door de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) werden aanvaard, toen zij tegenover hem daarover zwoeren. Hij aanvaardde hun eed van trouw en vroeg vergiffenis voor hen. Echter, de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) stelde onze zaak uit tot Allah erover oordeelde. In dat verband heeft Allah gezegd: “Hij vergaf ook de drie die achterbleven…” (De Edele Quran 9:118). In dit vers verwees Allah niet naar ons wegbijven van de militiare campagne. Het verwijst daarentegen naar het uitstel van de Boodschapper (vrede en zegeningen over hem) bij het bepalen van zijn oordeel. In tegenstelling tot degene die de eed voor hem aflegde en zichzelf verontschuldigde: een daad die werd aanvaard door de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem). (Bukhari en Muslim)

Hoe talrijk zijn de gunsten van deze overlevering… We zouden de rest van de Ramadan hierover kunnen praten en nog niet klaar zijn! In een poging om trouw te blijven aan mijn voornemen deze bijdragen kort te houden, zal ik proberen enkele van de weldaden van deze Hadith toe te lichten, insh’Allah:

1/ Het eerste punt om van te leren, is dat Ka’b (moge Allah tevreden zijn over hem) aanduidt dat hij nooit rijker was dan tijdens deze veldtocht. Het waren onder andere rijkdom en comfort die leidden tot zijn uitstel, en het toont ons waarom een aantal van de Gezellen zegden dat zij het beter aankonden wanneer Allah hen op de proef stelde met moeilijkheden dan wanneer Allah hen testte met gemak. Er is ook de authentieke Hadith van de Profeet (vrede en zegeningen van Allah), waarin hij heeft gezegd: “Bij Allah, het is niet de armoede waarover ik me zorgen maak voor jullie, maar ik vrees voor jullie de (wereldse) rijkdom die jullie kan worden gegeven, zoals ze werd gegeven aan degenen die voor jullie zijn heengegaan, en dat jullie erom gaan wedijveren zoals zij erom wedijverden, en dat ze jullie zouden vernietigen zoals zij degenen voor jullie hebben vernietigd.” (Muslim)

2/ Het tweede punt van voordeel is dat we worden herinnerd aan de liefde en bezorgdheid van de Profeet (vrede en zegeningen over hem) voor zijn volgelingen – een oprechte en diepe liefde en zorg voor werkelijk elk van hen, subhaan Allah. We begrijpen de omvang van deze liefde door het feit dat hij (vrede en zegeningen over hem), ook al vertelt Ka’b dat er een enorm aantal Muslims de Profeet (vrede en zegeningen over hem) had vergezeld op deze veldtocht (dertigduizend volgens de boeken van Sirah), toch nog opmerkte dat Ka’b er niet bij was en naar hem vroeg bij zijn naam. Dit is een van de tekenen van het uitmuntende leiderschap van de Profeet (vrede en zegeningen over hem), dat hij de tijd nam om de namen van zijn mensen te leren en dit niveau van persoonlijke betrokkenheid voor hen te tonen. Het wekt dan ook helemaal geen verbazing dat Allah over hem, aan het einde van Surah at-Tawbah, heeft gezegd wat vertaald betekent:
“Voorzeker, er is een Boodschapper tot jullie gekomen uit jullie eigen midden. Zwaar voor hem is jullie lijden. Vurig wenst hij het goede voor jullie. Voor de gelovigen is hij liefdevol en barmhartig.” (De Edele Quran 9:128)
Hij (vrede en zegeningen over hem) verlangt ernaar dat wij Muslims in dit leven en in het Hiernamaals leiding en succes verwerven en hij beschikt over enorme barmhartigheid en medeleven voor de gelovigen. Er is in de twee Sahih verzamelingen overgeleverd dat hij (vrede en zegeningen over hem) heeft gezegd: “Mijn positie in verband met jullie is zoals een man die een vuur heeft aangestoken. Vlinders en andere insecten werden ertoe aangettrokken en begonnen er in te vallen. Hij stond daar in een poging ze ervan weg te houden. Ik houd jullie bij jullie nek(vel) om te voorkomen dat jullie in het vuur vallen terwijl jullie los lopen.”

3/ Het derde punt is hoe belangrijk het is de waarheid te zeggen, en dat we niet mogen vergeten dat, wat er ook gebeurt, je Allah nooit kan misleiden, aangezien Hij de innerlijke werking van je hart en ziel kent. De Profeet (vrede en zegeningen over hem) heeft in een authentieke Hadith verklaard: “En ik garandeer een huis in het midden van Jennah voor de persoon die zelfs niet voor de grap liegt..” (Abu Dawood) Het was de waarheid die Ka’b en zijn gezellen heeft gered en het is de waarheid die ons zal reeden en ons insh’Allah in Jennah zal binnenvoeren.

4/ Het vierde gunstige punt is hoe de Gezellen hadden ingezien dat dit leven niets meer is dan een test, en hoe ze altijd waakzaam waren voor een beproeving van Allah opdat ze niet zouden worden misleid en in fouten of rampen zouden vervallen. Dat is waarom Ka’b meteen bij het ontvangen van de brief die hem uitnodigde tot de eer van dit leven als gast van de Koning van Ghasan (provincie van Groot-Syrië) besefte dat dit een beproeving van Allah was. Wat zou hij kiezen: bij de Profeet blijven, ook al betekende dat een boycot voor onbepaalde tijd, of naar een koninkrijk van ongelovigen trekken waar hij de tijdelijke genietingen van dit leven kon genieten, enkel om daarna ramp en faling te vinden in het Hiernamaals? Als wij eenzelfde houding zouden aannemen, dan zouden ook wij streven naar een hoger niveau van Imaan en inzicht, en zouden we dichter bij Allah komen. En bij Allah ligt alle succes.

5/ Het vijfde gunstige punt is de onbetwiste gehoorzaamheid van de drie Gezellen aan Allah en Zijn Boodschapper, al waren ze Hem ongehoorzaam geweest, door de Profeet (vrede en zegeningen over hem) niet te vergezellen naar Taboek: dat was veel meer uit luiheid en uitstel dan uit een openlijke uitdaging en rebellie of uit ontevredenheid met zijn beslissing. Eens ze hun fout hadden ingezien en hun harten ontwaakten, volgden ze het bevel van de Profeet zonder vragen te stellen. Ze leefden volgens het bevel van Allah uit de Quran, waarin Hij heeft gezegd wat vertaald betekent: “En gehoorzaam Allah en de Boodschapper. Hopelijk zullen jullie begenadigd worden.” (De Edele Quran 3: 132)

Bovendien redetwistten ze nooit met hem over zijn beslissing. Zelfs toen enkelen van de Muslims aan Ka’b zegden dat hij de Profeet (vrede en zegeningen over hem) toestemming moest vragen om zijn vrouw bij hem te laten blijven, weigerde hij de beslissing van de Profeet (vrede en zegeningen over hem) in twijfel te trekken, omdat Allah heeft gezegd wat vertaald betekent: “Het past een gelovige man en een gelovige vrouw niet, wanneer Allah en Zijn Boodschapper een zaak hebben besloten, om een andere keuze te maken in hun zaak. En wie Allah en Zijn Boodschapper niet gehoorzaamt, waarlijk, hij verkeert in duidelijke dwaling.” (De Edele Quran 33:36)

6/ Het laatste punt van nut dat we vandaag zullen vermelden is het aanzien en de eerbaarheid die aan berouw worden gekoppeld. De gelovigen feliciteerden de drie toen Allah hun berouw had aanvaard, en Allah heeft over deze zaak in de Quran gezegd wat vertaald betekent: “Daarna aanvaardde Hij hun berouw, opdat zij berouwvol zouden blijven.”

Dit helpt ons de verklaring van Allah te begrijpen die doorheen de Quran wordt herhaald, en waarin Hij zegt wat vertaald betekent: “(Een Vermaning) … voor wie van jullie het Rechte (Pad) wil volgen. En jullie kunnen niets willen, behalve wanneer Allah, de Heer der Werelden, het wil. “ (De Edele Quran 81:28-29) Je zal er dus niet in slagen berouw te hebben of nabijheid tot Hem te verwerven, tenzij Hij het eerst voor jou heeft gewild. En of Allah dat voor je wil, zal afhangen van jouw oprechtheid. De drie werden meer dan vijftig dagen op de proef gesteld om uit te maken of ze oprecht waren wat hun berouw betrof, en toen wendde Hij Zich tot hen opdat zij berouw hebben. En dat was het ultieme succes voor hen in dit leven, na het aannemen van de Islam. Met de woorden van de Profeet (vrede en zegeningen over hem): “Ik geef je het goede nieuws van de beste dag die je hebt meegemaakt sinds je moeder je ter wereld bracht.” En hij (vrede en zegeningen over hem) zei in een andere authentieke Hadith:

“Allah is gelukkiger
over het berouw van een van Zijn slaven
dan iemand van jullie het zou zijn
wanneer hij zijn kameel terugvindt
die van je was afgedwaald
in het midden van de woestijn.”
(hierover heerst overeenstemming)

Dus zullen we insh’Allah een andere keer het berouw meer in detail bespreken en laten we dit nu voor ons volstaan om de grootsheid te vatten van deze vaak verwaarloosde daad van aanbidding, en om het belang ervan in te zien, vooral in deze maand.

Het laatste deel van deze Ayah waarover we moeten nadenken voor we afsluiten, is Zijn uitspraak, die betekent: “… en zij overtuigd waren dat er geen toevluchtsoord was tegen (de bestraffing van) Allah behalve bij Hem.” De geleerden hebben hierover in hun commentaren gezegd dat deze uitspraak alleen waar is voor Allah. Hij is de Enige bij wie iemand die bang voor Hem is ook toevlucht en bescherming kan zoeken. Dat is de genade van Allah, dat iemand die Zijn bestraffing vreest naar Hem kan vluchten. Voor alle anderen geldt dat je, als je hen vreest, van hen wegloopt. Maar gaat het om Allah, dan vlucht je naar Hem toe! Allahu Akbar!

En Allah weet het best.

Bron: http://muslimmatters.org/2008/09/02/ramadan-reflections-a-daily-journey-through-the-quran-2/

.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Ramadan en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.