Gooi een steen door dat glas!

.

Door een mat glas zou je je eigen moeder niet herkennen
omdat haar beeld teveel vervormd is. Maar het is wel je moeder.
Hoe kan je van mensen verwachten dat ze de Islam begrijpen
wanneer degenen die deze Islam vertegenwoordigen,
de Muslims, 
dat beeld vervormen?! En wat is dat glas dan? 
Ons gedrag, ons eigen gedrag!

 

ball through window

Khalid Yaaseen heeft het over Dawah in het Westen. Hij legt zijn vinger op een groot pijnpunt: Muslims zetten vaak een grote mond op in de moskee, ze laten zich horen wanneer ze de maatschappij aanklagen, onrecht, enz. En terecht. Maar wat doen ze wanneer ze de moskee verlaten? Hoezeer zijn ze nog “Muslim”  thuis, op het werk, tegenover buren, collega’s?

Met cijfergegevens toont hij aan hoe het merendeel van de “nieuwe” Muslims zich tot de Islam bekeert onder invloed van andere “nieuwe” Muslims, en niet zozeer die van “geboren” Muslims. Geboren Muslims zijn opgegroeid met Islam, beschikken allicht over veel meer kennis over de Islam, maar ze houden dat allemaal voor hun privéleven… (iets waarvoor Allah ons waarschuwt in Surah al Baqarah wanneer Hij dit aan de Joden verwijt!) Met als gevolg frustatie, verdrukking, wantrouwen tegenover de maatschappij en van de maatschappij tegenover hen. Maar hoe kan de maatschappij Muslims respecteren – laat staan vertrouwen – als ze alleen maar brullen wanneer ze zich bedreigd voelen maar verder nauwelijks iets betekenen voor hun omgeving?

En dan komt dit stukje over Dawah, over het uitnodigen van de ongelovigen rondom ons tot de Islam. Het verspreiden van pamfletjes en opnames van spreekbeurten is waardevol, maar het is het uiterste minimum van Dawah dat je kan verrichten. Khalid Yaaseen noemt het een “substituut” voor echte Dawah. Hij vertelt ons over de Dawah van ons voorbeeld, onze Profeet Muhammad (vrede en zegeningen over hem) en zijn gezellen (moge Allah tevreden zijn over hen):

De echte Dawah gaat uit van de persoon zelf, omdat het een heel andere vorm van Dawah is. Toen de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem) pas aankwam in Medina, toen de echte Dawah begon… Want zijn niveau van Dawah in Mekka was één niveau ervan, het primaire (eerste) niveau waarbij Allah (subhaanahu wa ta’aala) net genoeg mensen gaf om hem te brengen naar een andere plek waar ze de ruimte zouden hebben voor de echte Dawah.

Dus, toen ze in Medina aankwamen, wat denk je dan dat het eerste bevel van de Profeet (vrede en zegeningen over hem) was in verband met het volk van Medina? Je hebt daar de Ansaar en de Muhtadjiroen (moge Allah tevreden zijn over hen). Wat heeft de
Profeet (vrede en zegeningen over hem) hen gezegd te doen? Heeft hij gezegd:
“Trek door de straten van Medina. Ga naar de Joden en de Christenen en de afgodenaanbidders en de woestijnvolkeren! Ga naar hen en vertel hen over Allah (subhaanahu wa ta’aala)!”?  Neen, dat was niet zijn eerste opdracht. Het eerste wat hij hen beval was:

“Tuta’imoe ta’aam, wa takra’oe salaam.
Man arrafta wa man lam ta’aalif.”

Wat is dat voor een bevel?
“Uta’imoe ta’aam”:
Deel met hen je voedsel, geef de uitnodiging en aanvaard de uitnodiging.
Wat voor een bevel is dat? Een sociaal. Het legt de funderingen voor de Dawah.
“Wa takra’oe salaam”:
Geef hen een goede begroeting en beantwoord hun groet met een goede begroeting.
Een sociaal bevel, dat aan de basis ligt voor Dawah.
“Man arrafta wa man lam ta’aalif”: degene die je kent èn degene die je niet kent.

Kijk naar dit fundamentele gebod en hoe het op ons slaat.
Hoeveel van de Muslims hier hebben, sinds ze hier leven, het tot hun zaak, hun engagement, gemaakt om een niet-Muslim (collega, medewerker, buur) bij zich thuis uit te nodigen? Hoevelen van jullie doen die moeite, week na week? (…) Van die 15 à 20 keer per week dat je eet, hoe vaak heb je een niet-Muslim uitgenodigd om met jullie mee te eten? Al was het één maaltijd per week. (…) En toen je met andere Muslims at, hoe vaak heb je de tijd genomen om ook een buur uit te nodigen, een collega of medewerker? Het antwoord op deze vraag zal je vertellen waarom wij gebukt gaan onder een situatie vol misverstanden (over de Islam en de Muslims).

Een tweede punt: Hoevelen van ons gaan ons huis in en uit zonder ook maar een woord met onze buren te wisselen? Wij zien hem, hij ziet ons. Misschien steken we onze hand op of knikken als groet, maar daar blijft het bij. We gaan ons huis binnen, zitten met ons
gezin en eten samen, we vertrekken weer, stappen in onze wagen en rijden naar het werk of onze zaak en dat is het. We communiceren niet. En dan vragen wij ons af waarom de niet-Muslims ons niet begrijpen.

Er heersen misverstanden omdat wij, Muslims, enkel met onszelf begaan zijn. En niet alleen dat, maar zelfs onder Muslims houden we het op Somaliërs voor Somaliërs, Soedaniërs onder Soedaniërs, Afrikanen bij Afrikanen, Libanezen met Libanezen, Pakistani onder Pakistani… Zo zitten we ineen! Kullu hisbun bi maa ladaihi faa lihoen: elke groep voor zich. En de enige keer dat we samenkomen en er toch enig gevoel van samenhorigheid blijkt, is wanneer we naar de moskee komen om te bidden. Daar blijft het bij.

Hoe kunnen we door ànderen worden begrepen,
als er onder onszelf al verdeeldheid heerst?
Hoe kunnen anderen ooit de Islam begrijpen
als we niemand uitnodigen om de Islam te zien?
En hoe kunnen we mensen de Islam laten zien
als ons karakter de weg verspert?

Weet je, je zou niet eens je eigen moeder herkennen, al ken je haar nog zo goed, als er tussen jou en haar een raam met melkglas stond. Door een mat glas zou je je eigen moeder niet herkennen omdat haar beeld teveel vervormd is. Maar het is wel je moeder. Hoe kan je van mensen verwachten dat ze de Islam begrijpen wanneer degenen die deze Islam vertegenwoordigen, de Muslims, achter zo’n mat glas staan?
En wat is dat glas dan? Ons gedrag, ons eigen gedrag!

(…)

Maar Allah (subhaanahu wa ta’aala) heeft ons gezegd dat de manier om deze Ummah te herkennen is:

“Kuntum khaira ummatin, oeghoeldja lil Naas,
ta’maroena bil Maroef, wa tan hauna ala’l Munkar,
wa toe’minoena bi’Allah!”

Het kenmerk van deze Ummah is dat we zijn geëvolueerd, uitverkoren door Allah (subhaanahu wa ta’aala) om de mensheid te vertegenwoordigen in het opleggen van wat goed is en het verbieden van wat slecht is.

Het goede opleggen betekent niet dat je gewoon zegt wat goed is. Volgens wat de Profeet (vrede en zegeningen over hem) zegt, betekent het: Als iemand van jullie een Munkar ziet, stop het dan met je handen als je kan. Kan je dat niet, omdat je te zwak bent of omdat je nog meer fitna zou veroorzaken door in te grijpen of omdat je geen gezag hebt om het te doen, klaag het dan aan met wat je zegt. En als je je nog steeds te zwak voelt, of je mist het gezag of vreest meer fitna door wat je zegt, dan zegt hij dat je het tenminste in je hart moet afkeuren. En dat wordt de zwakste vorm genoemd van hoe je je Imaan toont.

De meesten van ons hebben van bij het begin
voor die zwakste vorm gekozen.

Daardoor wordt de Islam niet degelijk vertegenwoordigd naar buiten toe.
Wij, de Muslims die Allah (subhaanahu wa ta’aala) in de Westerse wereld heeft geplaatst als Zijn vertegenwoordigers en aan wie Hij kracht, gezondheid en onderdak heeft geschonken, en goede scholen voor onze kinderen, gezondheidszorg en werk, de mogelijkheid om moskeeën te bouwen, een goede omgeving, bewegingsvrijheid om naar ons thuisland te reizen of op Hajj te gaan wanneer we maar willen, we hebben van Hem alle mogelijkheden gekregen om de Islam te verspreiden (radio, televisie, internet, vrijheid van meningsuiting) … maar we doen het niet.

Wie treft dan de schuld?
Wij, de Muslims, moeten de schuld bij onszelf leggen.

bron: http://www.islamhouse.com/420716/en/en/videos/Dawah_in_the_West

__________________________________________

Een woordje van Mariam:

Het feit dat ik deze opname ontdekte, lijkt wel een antwoord op mijn zoeken naar een manier om ons (wan)gedrag als Muslims aan de kaak te stellen. Op de trein van Antwerpen naar Leuven kwamen op de bankjes naast mij enkele juffertjes zitten, luidruchtig kwebbelend over hun aankopen, maar o zo leeg (denigrerende uitlatingen over hun ouders, uitgebreid bespreken van hun nieuwe BH – een van hen trok er zelfs haar bloes voor open!). Het feit dat ze af en toe op Turks overschakelden was het enige waaruit ik kon opmaken dat ze Muslim waren…
Ik probeerde me te concentreren op mijn laptop en het Ebook dat ik open had. Enkele haltes verderop stapte nog meer volk op. Er stonden al heel wat mensen recht – maar de jonge dames gaven geen krimp terwijl driekwart van hun bank bezaaid was met hun tassen. Een dame die vond dat ze voor het geld dat ze had betaald ook wel mocht zitten, vroeg hen plaats te maken. Met een teuterig “Jamaar dat gààt niet” kwamen ze er niet van af. De dame drong aan dat ze hun tassen in het bagagerek zouden zetten of op de grond. De pruillipjes waren niet meer die van jongedames maar van verongelijkte peuters. Het gekwebbel ging door. Snerende opmerkingen zoals “Huh, je vader” sneden door mijn concentratie heen. Ik schaamde me omdat zij en ik voor velen toch over één kam worden gehaald: “de” Muslims – al komen zij zonder hoofddoek en met hun vulgair gedrag allicht wat meer “geïntegreerd” over.
In Heist-op-den-Berg stapte de medereiziger die tegenover mij had gezeten af. De deuren waren nog niet goed dicht of een van die meiden gaf de vrouw die voor een zitplaats bij hen had moeten vechten het bevel: “Ga nu maar dààr zitten, dan kunnen wij rustig verder praten.” Gedaan met hart. Het moest eruit: “Ik vind dit wel erg grof van je. Die dame mag zitten waar ze wil. Hoe durf je haar te zeggen dat ze elders moet gaan zitten?!” Astagfirullah. Inderdaad dat was bepaald niet volgens het voorbeeld van onze Profeet, salallahu aleihi wassalaam. Ik wees ze terecht, ja, maar niet met “goede woorden”. Daar moet ik nog hard aan werken! En toch voelde het goed dat dit, hopelijk, ooit met terugwerkende kracht bij een van die meiden eens een moment van reflectie veroorzaakt – en dat ik onze medereizigers heb laten verstaan dat Muslims niet allemaal op zo’n egocentrische manier denken en handelen.

Daarom ben ik zo blij met deze opname die juist gaat over het belang van onze houding in ons dagelijks leven. Het is een lange: 1 uur en 53 minuten. Neem er de tijd voor en bezin je over je eigen plaats als Muslim in deze maatschappij … en tegenover je Heer en Schepper op de Dag dat je verantwoording zal moeten afleggen en dat al die mensen die je ontmoette tijdens je leven om je heen zullen staan en zullen klagen: 

“Als er al een Muslim in mijn omgeving was,
dan heb ik die toch nooit gehoord!
Niemand heeft me over de Islam verteld!”

Is het gemakkelijk? Neen. Ik kan het weten – ik faal daarin elke dag…
Zal je al eens een rare blik krijgen als je het toch probeert? Ja.
Kan het zich tegen je keren? Ook al.
Die meiden op de trein hadden zin om mijn ogen uit te krabben, geloof me!
Maar het is erger als we niets doen, in dit leven en in het volgende.

Telkens we bidden, vragen we met Surah Fatiha dat Allah ons leidt op het Pad van mensen die ons zijn voorgegaan en een voorbeeld voor ons zijn. Met de woorden van één van die voorbeeldenvragen we dat Allah ons bijstaat in onze omgang met de mensen rondom ons:

Rabbi Ishrah Li Sadry, Wayassir Li Amry,
Wahlul ‘Uqdatan Min Lisany, yafqahu Qawly.

Mijn Heer, verruim mijn borst(kas), maak mijn taak gemakkelijk,
haal de knoop uit mijn tong, opdat wat ik zeg verstaanbaar wordt!

Dit is het gebed van Musa (aleihi salaam) zoals Allah het ons vertelt in Surah Taha

Laten we vanaf nu ruiten ingooien!
Onze EIGEN ruiten!

ball through window

Alles wat melkglas is (slecht gedrag) en de mensen rondom ons verhindert de Islam te zien zoals hij is moet eraan geloven! We zetten onze ramen open, nodigen hen uit om te ontdekken hoe mooi, hoe heerlijk, hoe eenvoudig, hoe universeel en hoe gemakkelijk het is om te leven als Muslim, in Islam, in onderwerping en gehoorzaamheid aan onze Heer en Schepper!

.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Foei Islam ?, Muslim zijn is... en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.