Pareltjes van de Quran : Juz 17

“Maar als hem een beproeving ten deel valt,
wendt hij zijn gezicht weer af.”

Een overweging door Nouman Ali Khan
bij Juz 17, Surah 22, Vers 11   

“En er zijn eronder mensen
die Allah op de rand aanbidden.
Als hem iets goeds overkomt,
is hij daar tevreden mee.
Maar als hem een beproeving ten deel valt,
wendt hij zijn gezicht weer af.
Hij verliest de wereld en het Hiernamaals.
Dat is het duidelijke verlies!”

We behandelen vandaag de zeventiende Juz, alhamdolillah. We zijn bij Surat ul Hajj (22) en dit is de elfde Ayah. En dit is Walid, mijn sheikh (grapje: zijn tweede zoontje). In de elfde Ayah zegt Allah: “Wa mina annaasi man ya’abudu Allaaha ala harf” – ” Onder de mensen is er het type dat Allah aanbidt op de rand van een afgrond.” “Harf” betekent hier wel degelijk “rand”, dus iemand die op de rand van een afgrond staat, onzeker. Hij is er niet helemaal bij en ook niet helemaal weg. Allah beschrijft dus dit beeld en zegt: “Fa in asabahu khayroen itmaanna bihi” – “En als hem iets goeds overkomt, dan is hij daar tevreden mee.” Hij is gelukkig, tevreden. “Wa in asabathoe fitnatoen” – “En als hem een beproeving ten deel valt” – “inqalaba ala wajhihi” – “wendt hij zijn gezicht af”, keert hij zich om.

Waar dit over spreekt, is een persoon die toegewijd blijft aan de Islam zolang het hem goed uitkomt. Dus als er iets goeds gebeurt: “Alhamdolillah! Ik hou van de Islam! Alles gaat goed!” Gaat er iets mis, dan is het meteen: “Waarom doet Allah mij dit aan?! Wie heeft er nu wat aan godsdienst, trouwens? Dit hoef ik niet te doen. Ik verdien beter dan dat!” Je krijgt dan die echt agressieve houding tegenover Allah en tegenover het geloof in zijn geheel. Hij wendt zich af alsof hij daarvoor niet eens een Muslim was geweest.

Allah zegt dat dit soort mensen “khasira adDunya wa ‘lAkhira”: zelfs het beetje godsdienst dat je had, stelde eigenlijk niets voor. Dit soort mensen verloor zowel Dunya (dit leven) als Akhira (Hiernamaals). Deze mensen “op de rand”, die zich enkel tot Allah wenden wanneer het hèn uitkomt en zich weer afkeren zodra een beproeving hen treft, over hen zegt Allah: “Je hebt deze wereld verloren EN je hebt de Akhira verloren.” Hij gebruikt daarbij een woord dat normaal eigenlijk niet WORDT gebruikt: “Dhaalika hoewa ‘lkhoesraanu ‘lmoebien” – “Dat is het ultieme, ultieme, ULTIEME verlies” en het is overduidelijk het ultieme verlies! Je hebt niets verdiend voor je Hiernamaals en je hebt niets verdiend voor deze wereld.

Dus zelfs in goede tijden, wanneer hij geloof betuigt, telt het nergens voor. Het telt niet, omdat het niet bestand is tegen de test van eender welke beproeving. Bij om het even welke tegenslag, keer je je af. Dat is helemaal geen geloof! Het is zelfs niet “Khusr”, maar “Khusraan”, de overdrijvende vorm van het woord “verlies”: duidelijk het ultieme verlies!


Dus als dit de toestand is
van jouw geloof,

als je het gevoel hebt
dat je geloof verdwijnt
telkens je het moeilijk krijgt,

dan moet je voor deze stand van zaken
echt gewaarschuwd worden.
Je moet aan Allah vragen om “Thabaat”,
standvastigheid van je hart,
om in staat te zijn
de kracht van je geloof
te handhaven
doorheen moeilijke tijden.

We zetten dit insh’Allah later verder, wanneer we bijvoorbeeld komen aan Surat ul Ankaboet, Surat ul Qasas en andere. Daar zullen we zien hoe Allah ons leert om te gaan met beproevingen en tegenslagen en hoe Hij ons kracht ZAL geven om onze zaken te beheren en in staat te zijn harde uitdagingen in het leven te doorstaan.

.
bron: http://www.youtube.com/watch?v=x9nMCACgvqk

Het youtube-kanaal van Quran Weekly: http://www.youtube.com/user/QuranWeekly

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Ramadan en getagged met , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.