Pareltjes van de Quran : Juz 23

“O Daawoed, Wij hebben jou
tot gevolmachtigde op aarde aangesteld.
Oordeel daarom met de Waarheid
tussen de mensen en volg niet de begeerte,
want die zal jou doen afdwalen
van de Weg van Allah.”

 

Een overweging door Nouman Ali Khan
bij Juz 23, Surah 38, Ayah 21-26

Vandaag, insh’Allah in de 23° Juz en Surah Sad (de 38° Surah van de Quran) zullen we enkele lessen trekken uit het verhaal van Dawoed (vrede zij met hem).

Een deel van dit gesprek is dat wij in de Islam veel respect en eerbied hebben voor de Profeten. Al hebben we dezelfde namen voor die Profeten als de christenen en joden in hun tradities – in de verschillende tradities die ze hebben – toch is de manier waarop wij over Profeten denken niet hoe zij denken over Profeten. De manier waarop wij Profeten respecteren en de manier waarop wij hen eren is niet de manier waarop zij hen respecteren en eren.

Hetzelfde verhaal dat in de Quran wordt vermeld, over Dawoed (vrede zij met hem) die zich in zijn Mihrab (gebedsruimte) bevindt. Hij was een koning natuurlijk. Een Khalief eigenlijk, geen koning: zij noemen hem “koning David”, maar wij noemen hem “Khaliefa Dawoed” omdat Allah hem zo noemt (ayah 26): iemand die op aarde wordt achtergelaten met de verantwoordelijkheid om Allah’s geboden uit te voeren.

Hoe dan ook, er zijn mensen over de muur geklommen en zijn gebedsruimte binnengedrongen. Ze zijn dus binnen geraakt in de meest private ruimte van het kasteel. Het gaat om een groep mensen. Hij is uiteraard geschrokken. De Ayah zegt: “idh dakhaloe ala Dawoed fafazi’a minhoem” – hij was enorm geschrokken. “Fazi’a” staat voor vrees die voorkomt uit schrikken. Hij is dus verrast en geschrokken en snapt niet goed wat er gebeurt.

“Qaloe laa takhaf” – “Zij zeggen: Neeneenee, niet bang zijn!” – “Khasmaani bagha ba’doena ala baad” – “We zijn gewoon twee groepen mensen. De een heeft de ander onrecht aangedaan. We zitten middenin een grote discussie op dit moment en we hebben jouw hulp nodig om de situatie op te helderen. ” Het zijn dus niet TWEE mensen die over de muur zijn geklommen, want “tasawwaROE ” wordt gebruikt, het Arabische woord tasawwaroe. De OE aan het einde is voor meervoud. “Fafazi’a minHOEM” – “hij werd bang van hen allemààl”, niet “minhoeMAA”. Minhoemaa zou betekend hebben dat hij bang was voor twee van hen. Dus een hele bende dringt zijn kamer binnen. Nu, Dawoed (vrede zij met hem) kan zich wel verdedigen, uiteraard. Hij was het die Djaloet (Goliath) heeft gedood: hij kan dit wel aan. Maar een hele bende mensen is zomaar zijn huis binnengestormd nadat ze over een muur waren geklommen. Daar is hij toch wel door verrast. Hij is een beetje van z’n melk. En zij zeggen:

Neeneenee, wees niet bang. We zijn hier om een probleem met u te bespreken. Enkele van ons hebben de anderen onrecht aangedaan. Dit hier is mijn broer. Hij heeft 99 schapen en ik heb er maar één. En hij zegt: “Akfilienieha, geef het mij gewoon! Geef mij jouw schaap, man! Wat wil jij nu aanvangen met één schaap?!” “Wa ‘azzanie fie’lkhitaab.” En hij doet zo bazig als hij tegen mij spreekt: “Komaan geef het eindelijk af! Ik heb je al gezegd dat je mij dat schaap moet geven!”

Het is dus duidelijk dat het de man is die maar één schaap heeft die op dit moment aan het woord is. Dawoed (vrede zij met hem) luistert naar deze zaak en zegt (dit is zijn oordeel): “Qala laqad thalamake bisuaali na’jjatika ila ni’adjiehie” – “Jij hebt die man onrecht aangedaan door zijn enige schaap te vragen om het toe te voegen aan jouw kudde. Je hebt hem onrecht aangedaan.” (En de rest van Ayah 24:) “En vaak eindigt het ermee dat zakenpartners elkaar onrecht aandoen.” Wat een juiste uitspraak, niet? Heel vaak komt het ervan dat zakenpartners mekaar miserie aandoen en misbruik maken van elkaar. “Behalve zij die waarlijk geloven en rechtschapen daden verrichten.” “Waqalieloen ma hoem” – “Hoe weinig zijn zij in aantal!”


Daarop verdwenen ze.

Onmiddellijk verdwenen die engelen.
Hij velde zijn oordeel en ze verdwenen.
“Wadhanna Dawoedoe annama fatannaahoe”
“En Dawoed besefte dat We hem op de proef stelden”
“Fa ‘istaghfaara Rabbahu wakharra raaki ‘an waanaab”
“Dus verrichtte hij istighfaar tegenover zijn Meester
en viel neer in Sadjda en toonde berouw.”

(Tussen haakjes, dit is een Ayah van Sadjda. Dus nadat je deze opname hebt bekeken/gelezen, verrichten we Sadjda, ok? Want ik moet dat ook doen)

Maar laten we eerst ons gesprek erover afronden. Het standpunt van de Bani Isra’iel, het Bijbelse relaas van ditzelfde verhaal, is – “ma’aad Allah, thoemma ma’aad Allah” – dat is niet iets wat WIJ zeggen over Profeten! – dat Dawoed (vrede zij met hem) interesse had voor de vrouw van één van zijn generaals. En hij had die generaal de strijd in gestuurd, zodat hij zou vechten en sneuvelen. Dan kon hij met zijn vrouw trouwen, want Dawoed had al 99 vrouwen en hij wou er nog een bij. Allah spelde hem dus de les dat hij niet ook nog die honderdste vrouw moest willen door die mensen met hun schapen-aangelegenheid op te voeren. En dat zou zijn waarom hij berouw toonde.


ONS verslag in de Quran is heel duidelijk. 

Eerst en vooral aanvaarden we  dat verhaal niet,
want het beschuldigt Profeten van iets
dat we zelfs niet van slechte Muslims verwachten!
Hoe kan je daar dan een Profeet van beschuldigen?!
Maar ten tweede, en veel belangrijker dan dat,
bevatten de Ayaatzelf het antwoord
op de vraag wat er echt is gebeurd.

Een GROEP mensen drong zijn hof binnen. HIJ was geschrokken. Uiteraard mag een rechter, wanneer hij een oordeel moet vellen, zich niet in een emotionele toestand bevinden. Dat is het eerste probleem: “fafazi’a minhoem”, hij was door hen geschrokken, ze hadden hem verrast, hij was zichzelf niet vanwege hen. En dan begonnen ze hun probleem uit te leggen en die man vertelt: “Dit is één schaap en hij wil mijn schaap.” Maar een rechter die bij zijn verstand is, ALS hij bij zijn verstand is, hoort dan te zeggen: “Wacht eens even. Wat is je bewijs? Je hebt je zaak bepleit, maar wat is je bewijs? En laat me ook de andere partij horen. Ook als jij zegt dat hij schuldig is… Het feit dàt jij hem schuldig noemt, mààkt hem nog niet schuldig! Laten me eens horen wat HIJ te zeggen heeft.” Maar in het verhaal velde Dawoed (vrede zij met hem) een overhaast oordeel, omdat ze hem zo hadden verrast.

Hij oordeelde meteen en velde zijn oordeel op basis van één punt en zei: “Jij hebt je broeder onrecht aangedaan omwille van dat éne schaap.” En onmiddellijk daarop verdwenen ze en hij besefte: “Ik had niet zo snel mogen oordelen. Ik had eerst moeten bedaren, ik had de situatie volledig moeten begrijpen, de mening moeten vragen van beide partijen en dàn pas had ik mijn oordeel mogen vellen. Wat ik hier heb geleerd is: vel geen overhaast oordeel!”
Dat is het waar hij berouw voor toonde. En DUS zegt Allah: “Ya Dawoed inna ja’alnaka khaliefan fiel ard, fa’ohkoem bayna alnaasie bi’alhaq.” Dit is de les: “Dawoed, Wij hebben jou gemaakt tot khalief in het land. Oordeel dan onder de mensen met rechtvaardigheid.”

Als het hier ging om hèm die een misdadiger was,
dan had de Ayah gezegd:
“We hebben jou tot khalief op aarde aangesteld,
wees jij dan zèlf fair!”

Als dit ging over het feit dat hij een honderdste vrouw wou, dan zou het oordeel aan het einde, de les die Dawoed hieruit moest leren, zijn geweest: “Je moet zèlf eerlijk zijn, ok! Heb je je lesje geleerd?” Maar in plaats daarvan zegt Allah: “Ik heb je als khalief op aarde gezonden, iemand die een erfenis achterlaat en die zelf werd achtergelaten om voor alles te zorgen. Oordeel daarom onder de mensen met rechtvaardigheid!”

“Wa laa tattabi’i alhawa fayudillaka ‘an sabielie Allah” – “en volg niet je grillen, volg niet je instinct!” Een rechter kan stellen: “Mijn gevoel, mijn instinct zegt me dat ik het zo moet doen. Het is een dwingend gevoel.” Maar: “dat zal je wegvoeren en afleiden van het Pad van Allah!” DIT is de les die Dawoed (vrede zij met hem) hier leert. Het is eigenlijk een heel mooie les:


In het rechtssysteem mag de rechter

geen emotionele vooroordelen koesteren,
hij mag niet onder druk staan.

Weet je, in corrupte landen zijn er rechters die worden bedreigd voor ze de rechtszaal ingaan, hun families worden gegijzeld voor ze de rechtszaal ingaan, ze worden omgekocht voor ze de rechtszaal ingaan… Er is iets dat hen emotioneel zorgen baart voor ze de rechtszaal ingaan.
Er zijn ook gevallen in echtscheidingszaken, waarbij de rechter net zelf een scheiding achter de rug heeft. Hij is van streek en voor hem staan een man en een vrouw… Wie zal hij bevoordelen? Hij zal de vrouw die gaat scheiden zien en denken aan zijn eigen vrouw – en zich wreken op haar. Zij krijgt niets! Of als het een vrouw is (die rechter) dan omgekeerd.
De rechter moet dus emotioneel neutraal zijn. Anders zal hij niet in staat zijn om zijn werk te doen. Dat is de les die we leren in deze mooie, mooie Surah en in dit prachtige verhaal: over de hoge normen voor rechtvaardigheid die Allah heeft ingesteld en hoe mensen die in een positie worden geplaatst om mensen te oordelen geen emotionele vooroordelen mogen koesteren en niet onder druk mogen staan of afgeleid zijn op het tijdstip waarop ze hun oordeel vellen. Dat is het oordeel dat we aanvaarden.

En in je gezin! Niet alleen in de rechtbank!
Dit gaat niet alleen over mensen
die rechters in een rechtbank zijn.
Maar ook in je familie,
wanneer je een ruzie moet beslechten,
vrienden wilt verzoenen of dergelijke zaken:
Jij kan maar beter de neutrale partij zijn
voor je een oordeel velt of iets zegt.
En luister even goed naar beide partijen,
ook al heb je de ene persoon niet graag
en de ander wel. Je moet fair zijn.
Dat is de les die we trekken
uit deze opmerkelijke Ayaat.

(… en nu moet ik Sadjdah verrichten!)

.

Bron: http://www.youtube.com/watch?v=PKFc1o8Yvzk

Het youtube-kanaal van Quran Weekly: http://www.youtube.com/user/QuranWeekly

.

Dit bericht werd geplaatst in Ramadan en getagged met , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.