Wat doen we fout? (1 van 4)

Dingen waaraan we moeten werken…
Hoe geven we de Islam door?

“Ud’u ila sabieli Rabbika bi al-hikmati
wa al-mou’thati al-hasanah…” (Quran 16:125).

Het onderwerp voor vanavond ligt me heel nauw aan het hart en ontbreekt naar mijn gevoel grotendeels in de conversaties die moslims tegenwoordig met elkaar hebben. Mijn doelstelling voor vanavond is jullie een stuk verantwoordelijkheid bij te brengen voor wat jullie doorgeven aan medemoslims en evenzeer aan niet-moslims.

1/ “Ud’u ila sabieli Rabbika bi al-hikmati”
Het eerste punt waarover ik het wil hebben is het einde van Surat un Nahl, waar Allahu ta ‘ala zegt: “Ud’u ila sabieli Rabbika” wat meestal wordt vertaald als “Nodig uit tot het Pad van je Heer” – “Bi al-hikmati” wat betekent “terwijl je wijsheid gebruikt”. Dus:

“Nodig op een wijze manier uit tot het Pad van je Heer.”
Laten we daar eens wat dieper op ingaan.

Ud’u: Iemand uitnodigen is een daad van vriendschap, van vriendelijkheid en van liefde. Je nodigt niet iemand uit die je haat en het is onmogelijk wanneer je boos bent. Als je iemand wil uitnodigen om bij je thuis te komen eten, zeg je dus niet (harde toon): “Hela! Kom naar mijn huis!” want dat garandeert enkel dat je uitnodiging niet zal worden aanvaard.

Wat ik wil duidelijk maken is
dat het concept van “Dawah”,
het uitnodigen van mensen tot de Islam,
op zich een daad van liefde is,
van hoffelijkheid en respect
voor de persoon aan wie je Dawah geeft.

Dat kan en mag niet vervuld zijn van een boodschap van haat. Het kan en mag ook niet vervuld zijn van een boodschap die veroordeelt. Het kan en mag geen kleinerende boodschap zijn, waarbij jij overkomt als degene die “beter” is dan de persoon met wie je praat. Het mag niets van dat alles doen. Gebeurt dit wel, dan is het geen uitnodiging meer. Zover voor het eerste woord dat Allah gebruikt: ud’u.

Dan zegt Hij: “ila sabieli Rabbika” – nodig uit “naar het Pad van je Heer”. Hierover valt heel wat te vertellen vanuit de klassieke Tafsir, maar ik wil het heel eenvoudig maken voor ons publiek vandaag. Wanneer ik iemand uitnodig, dan nodig ik hem uit in mijn huis, toch? Of voor een conferentie, een retraite, een bepaald programma, een restaurant… Je nodigt mensen dus uit naar een bestemming. Je belt niet iemand op om te zeggen: “Ik wil je uitnodigen naar snelweg 95.” Dat houdt geen steek. Je nodigt iemand niet uit naar een pad, maar naar een doel, een bestemming.

Denk nu aan wat Allah heeft gezegd:
“Ud’u ila sabieli Rabbika”…
Waartoe moet je mensen uitnodigen?
Het Pad van je Heer, de Weg van je Heer.
De uitnodiging slaat niet op het einddoel,
maar op de weg erheen.

Dat lijkt in niets op eender welke andere uitnodiging! Laat me je helpen begrijpen wat dit betekent, want dit is werkelijk diepe wijsheid in de Quran. Je nodigt iemand bij je thuis uit – en dat is een bestemming. Maar dan komt je gast niet opdagen, of hij komt twee uur te laat (zoals ik voor Jumu’ah vandaag een uur te laat kwam). Als je te laat komt, ergeren de mensen zich aan je omdat je je bestemming niet hebt gehaald. Als je echter zou zijn uitgenodigd naar het pad, dan maakt het niet uit of je 1.000 mijl hebt gereisd of slechts enkele stappen. Je hebt je doel al bereikt, want waar ben je? Op het pad!

Met andere woorden: Allah, azza wa djal, heeft ons hier een enorm geschenk gegeven om ons te helpen begrijpen wat Dawah betekent. Namelijk niet dat je van de mensen verwacht dat ze de bestemming “perfectie” bereiken.

We verwachten van niemand
(van mij noch van jou) dat we in
een absoluut volmaakte staat
van onderwerping aan Allah verkeren,
zonder fouten te maken. Nee!

We verwachten van de mensen ook niet dat ze zich allemaal op hetzelfde niveau bevinden. Neen, want dit is een pad! Sommige mensen zullen sneller vooruitgang boeken dan anderen. Er zullen mensen ver vooruit lopen en anderen zullen achteraan blijven steken. Sommige mensen zullen heel traag vooruitgaan en anderen dan weer super snel.

Er zijn mensen die nog maar pas beginnen
en hun vooruitgang is letterlijk
een paar centimeter per dag.
Het lijkt wel of ze helemaal niet vooruit gaan…
Maar weet je wat? Dat is allemààl succes. Allemaal!

En als iemand van die mensen zou overlijden terwijl ze onderweg zijn – terwijl het dus lijkt dat ze nog op weg waren en hun doel nog niet hadden bereikt – en hun reis wordt afgebroken door hun dood, dan wordt dat van hen aanvaard door Allah. Ze waren namelijk onderweg, op het pad. De hele Islam wordt omschreven als een Pad: “Ihdina assiratal mustaqiem.” Denk daar eens over na! Je hele leven is een weg die je aflegt. Het doel van een weg is dat je erop vordert, dat je vooruitgang boekt. Allah heeft echter niet voor ons vastgelegd hoe snel het moet gaan, zelfs niet hoever, want elke mens is anders.

Trouwens, sommige mensen hebben tijd nodig
om nààr de Islam te komen.
En daarna is het niet anders. Vooruitgang boeken,
zelfs als je al moslim bent, vraagt tijd.

Dat gaat niet zomaar opeens. Er zijn Sahaba die van uiterste tegenkanting en vijandschap tegenover de Islam zijn omgeschakeld naar totale onderwerping aan Allah in de Islam. En dan zijn er andere Gezellen van de Profeet van Allah (vrede en zegeningen over hem) die het moeilijk hadden. Het was moeilijk voor hen! Niet elke Sahaba was een Abu Bakr as Sidieq (moge Allah tevreden zijn over hem). En ze waren ook niet allemaal Umar al Khattab (moge Allah tevreden zijn over hem). Helemaal niet! De mensen bevonden zich op verschillende niveau’s!

Waarom denk je dat het was dat de verzen voor alcohol voor deze beste generatie aller tijden toch geleidelijk aan zijn gekomen? Ze kwamen in fasen. Stap voor stap. Stel je voor: dit zijn de beste mensen, de beste gelovigen van alle generaties die ooit nog zouden komen. Maar op die beste generatie ooit heeft Allah geen drastische verandering opgelegd. Hij verwachtte niet dat meteen, collectief en algemeen deze gewoonte zou verdwijnen. Nochtans beschrijft Allah het in de laatste openbaring die over Chamr gaat (met de consumptie van alcohol en wijn) als “Ridjsun min ‘amali asjsjaitaan” (Quran 5:90) – een gruwel en een kwaad van Sjaitaans werk!…

Ik wil dat je hier nu eens over nadenkt. Als alcohol altijd al het werk van de duivel is geweest, dan was het dat ook toen Allah nog niet zei dat het haraam was. Toen ook al was het een groot kwaad. Zelfs toen al. Zelfs toen Hij zei: “Zorg dat je tenminste niet dronken bent wanneer je bidt.” Ook toen al was het het werk van wie? De duivel! Maar Allah zei het nog niet. Sommige mensen konden dat toen nog niet aan. Allah was dus barmhartig voor de gelovigen, zelfs in het bijzijn van de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen over hem). Hij stond toe dat ze zich ontwikkelden, dat ze groeiden. En na enige tijd gaf Hij ze het uiteindelijke verdict: dit IS slecht, dit IS een gruwel, je moet daar volledig mee ophouden.

Wat ik hiermee wil zeggen is:
Tegenwoordig geef je aan iemand Dawah
en je verwacht van ze dat ze
meteen in een Sahabi veranderen
en anders toch tenminste een Taabi’ien
en dat binnen de vierentwintig uur.

“Broer, ik zei je gisteren nog dat het haraam is! Waarom doe je dat dan nog?! Astaghfirullaahi Adziem! Die mensen verànderen verdorie nog niet eens, zeg! Ik hèb ze al Dawah gegeven, maar ze veranderden niet eens! Ik heb het ze al gezegd. Ik heb ze een Khutbah gegeven van wel twintig minuten, en kijk nou: er is niets veranderd!” … Mens toch, wil je eens even iets gaan lezen over Noeh (vrede zij met hem)… Die heeft het recht te zeggen dat de mensen niet veranderen! Jij hebt niet het recht om dat te zeggen! Trouwens, het zijn niet jouw woorden of mijn woorden die mensen veranderen, het is Allah die de mensen verandert.

Ik vertrek van hieruit omdat mijn toespraak moet gaan over Dunya en Akhirah, en het eerste waarover ik het met jullie wil hebben is dat we in onze Dawah soms de mensen hun hoop vernietigen. We verwachten te veel te snel van hen. Zelfs wanneer je iemand Dawah geeft, zelfs al is hij een moslim die ongehoorzaam is aan Allah.

Vandaag nog sprak een jongeman me aan en zei: “Mijn vrienden op school drinken. Moslim vrienden! Ze drinken, gebruiken drugs en doen nog erger en ik probeer ze goede raad te geven. Wat moet ik doen? Ik weet niet wat ik met ze moet aanvangen. Ze willen niet met me meekomen naar Jumu’ah. Ze willen niet naar de moskee komen. Ik probeerde ze naar een Youtube-filmpje laten kijken maar ze wilden er niets over horen! Ik weet niet wat ik met ze moet doen!”
Weet je wat ik daarop zeg?
“Al wat jij moet doen is geduld met ze hebben.
Blijf ze herinneren (aan Allah, hun dien) en geef ze niet op.”
Jij weet niet welk van je woorden in hun hart een zaadje zal vormen en jij weet niet wanneer Allah het zal laten ontkiemen. Misschien gebeurt het over een jaar dat een woord van wat je zei een klik veroorzaakt. Misschien gebeurt het pas over tien jaar of nu meteen. Daar hebben wij geen vat op.

Daarom is het dat Allah ons in ditzelfde vers over Dawah, naar het einde toe, zegt: “Inna Rabbaka, huwa aalam” – “Allah weet beter” wie geleid wordt en wie niet. Met andere woorden, misschien denk je door wat je ziet dat iemand geleid is en een ander niet. Allah zegt jou hier: “Ik weet beter dan jij wie wel of niet geleid wordt.” Er leeft iets in iemands hart. Dat meisje draagt geen hijab. Aan haar kleding kan je niet merken dat ze een moslim is, maar er is een turbulentie in haar hart. Haar hart keert zich terug naar Allah. Tijdens die overgang staat zij dichter bij Allah dan iemand die uiterlijk misschien een perfecte moslim lijkt!

Ik ga je een gek verhaal vertellen, echt gebeurd, de voorlaatste Ramadan.

Ik was in Texas. Na Tarawieh steekt toch wel wat extra honger de kop op. Er zijn dan slechts twee restaurants open in Dallas en dus trekken we ’s avonds laat naar een ervan. Daar zitten we. Enkele kerels. We zitten te eten en aan de tafel naast ons zitten twee jonge vrouwen die volgens islamitische normen echt wel onfatsoenlijk gekleed zijn. We denken niet dat ze moslim zijn. Omdat de tafels tamelijk dicht bij elkaar staan, horen we ze met elkaar praten. Een van hen zegt: “Ik voel me zo slecht. Ik heb al zowat een jaar lang niet meer gebeden.” En de anderei: “Ik ook. Het is Ramadan, we kunnen beter gaan. Ik denk dat ik nog een hijab in de wagen heb.” Dat is het gesprek tussen die twee en intussen probeer ik mijn shaorma te eten, en ik verstijf. Huh? En middenin hun maaltijd stonden ze op. Ze aten hun eten niet eens op, ze vertrokken! “De masdjid zal wel nog open zijn vanwege Ramadan. Dan houden ze hem de hele nacht open. Komaan, we zijn weg!” Ik geloof dat ik zelfs nog weet waar het was.

En ik zeg je – ik weet het niet, Allah weet het – ik weet niet of de twee Rak’ah die deze meisjes hebben gebeden… Ze weten misschien niet eens meer hoe ze Wudhu moeten verrichten, weet ik veel. Misschien kennen ze niet eens een andere Surah om na de Fatiha te bidden. Ik weet het niet. Het kan zijn dat ze niet eens weten hoeveel Rak’ah ze moeten bidden voor Isha, geen idee. Maar het kan zijn dat hùn Salaah meer waard is voor Allah dan die van iemand die Hafiz van de Quran is en de hele nacht heeft gebeden, maar zijn hoofd was er niet bij. Hij reciteerde alleen om indruk te maken op de mensen.

Wij weten niets. Wij mogen niet
oordelen over het innerlijke
op basis van het uiterlijke.

Wij zien enkel maar het uiterlijke. Dus, onze houding bij het uitnodigen van mensen naar de Islam moet veranderen. Onze manier van oordelen moet veranderen, want wij maken ze wanhopig. We geven ze het gevoel dat ze toch nooit Jennah zullen halen. Dat is het eerste probleem waarop ik jullie wil wijzen.

En dit is het tweede. Dit zijn manieren waarop we de hoop van mensen op Jennah doen verdwijnen. Ze hebben al geen zin meer om zich in te zetten voor het Hiernamaals, omdat ze het gevoel hebben dat het toch geen zin heeft, dat ze het toch nooit zullen halen, dat ze niet goed genoeg zijn.

(wordt vervolgd)
Link: https://www.youtube.com/watch?v=90jLQCcz-Dc

Dit bericht werd geplaatst in Muslim zijn is... en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.