Dawah – dat kan ik niet!

Dawah: aangeboren en aangeleerd

Auteur: Othman Mohammad               

Een van de leden van de jongerengroep in onze moskee stelde me deze belangrijke vraag:

“Er zijn mensen die van bij hun geboorte meer talent hebben qua overredingskracht, die invloed hebben op anderen en die beschikken over het vermogen mensen te motiveren. Die mensen hebben het geluk om dingen te realiseren die anderen niet kunnen en om goede daden te verrichten die buiten het bereik liggen van mensen die niet over deze talenten beschikken. Ik stel me daarbij de vraag: ‘Is het eerlijk dat iemand ergens enthousiast over is en daar iets mee wil doen die goede daad niet kan verrichten omdat hij niet over de nodige talenten beschikt?’ Hoe hard hij ook probeert, het lukt hem niet.”

Door die vraag herinnerde ik me enkele verhalen uit het leven van onze dierbare Profeet (vrede en zegeningen over hem) die misschien wel een antwoord kunnen bieden op deze vraag. Ik haal ze kort aan en ga daarna in op de lessen die we eruit kunnen trekken.

– Het eerste verhaal is dat van de vrouwelijke gezellen
van de Profeet (vrede en zegeningen over hem)
die hun beklag deden bij hem over de mannen.

Die mochten namelijk samen met de Profeet (vrede en zegeningen over hem) ten strijde trekken en in tijden van oorlog de lichamelijke jihad (strijd) voeren. De Profeet (vrede en zegeningen over hem) gaf hen – en door hen ook aan ons – een prachtige les over de betekenis van jihad en hoe ieder van ons kan bijdragen tot de samenhang van het sociale weefsel van onze Ummah (wereldwijde gemeenschap). Hij zei hen dat hùn jihad er uit bestond de afwezigheid van hun echtgenoot geduldig te verdragen en hun rol van verantwoordelijke vrouw en moeder thuis naar behoren te vervullen. Deze hadith (overlevering) is een van de mijlpalen voor een juist inzicht in de rol van de vrouwen in de Islam, omdat zij de kennis en traditie van deze godsdienst beschermen en ze doorgeven aan de volgende generaties. Daar bovenop vestigt deze hadith de aandacht op het belang van diversiteit in de manier waarop we ons inzetten voor de boodschap van de Islam en toont hij aan dat we allemaal een eigen rol te vervullen hebben op weg naar hetzelfde doel, namelijk Allah’s tevredenheid (de Verhevene, de Geprezene).

WAT WE HIERUIT LEREN: Voor de moslimgemeenschap is “jihad” een veel ruimer begrip dan enkel het verdedigen van de Islam op een slagveld. Ieder van ons vervult een eigen complementaire rol in het dienen van de Islam. We moeten ernaar streven mekaar aan te vullen.

– In het tweede verhaal vertellen de gezellen
hoe zij de godsdienst van de Profeet
(vrede en zegeningen over hem) hebben geleerd,
hoe ze hun imaan (geloof) hebben gevoed
en hun islamitisch karakter hebben gevormd.

Je zou denken dat ze het op een passieve manier hebben geleerd, omdat de omgeving waarin ze leefden zo islamitisch was of omdat het een geschenk van God was te mogen leven in het gezelschap van de Profeet (vrede en zegeningen over hem). Al klopt dit uiteraard wel, het was niet de norm. De metgezel vertelt het volgende: “We leerden onze imaan van de Profeet (vrede en zegeningen over hem) zoals we een vers van de Qur’an leerden.” Dat betekent dat ze echt hebben moeten leren om fantastische moslims te worden en dat het hen tijd heeft gekost om zo goed te worden in het geven van dawah (verkondiging). Er kwam een man van de stam van Daws bij de Profeet (vrede en zegeningen over hem). Hij was boos op zijn volk omdat ze zijn uitnodiging tot de Islam afwezen. Hij vroeg de Profeet (vrede en zegeningen over hem) te bidden om hun vernietiging. De Profeet hief zijn handen ten hemel en bad dat Allah (verheven en verheerlijkt is hij) hen leiding zou geven en hun harten naar Zijn godsdienst zou leiden door deze man te leiden in de manier waarop hij Dawah verrichtte. De man had zijn lesje geleerd en door zijn nieuwe inzicht en aanpak heeft de meerderheid van zijn stam de Islam aangenomen. Een geleerde onder de recht geleide salaaf (voorgangers) vertelde geregeld: “Ik heb veertig jaar lang gestreden tegen de nukken van mijn verlangens, tot Allah me standvastigheid schonk!” Kan je je dat voorstellen? Veertig jaar van hard werk (zo lang als 10 bachelor diploma’s en 5 doctoraten)?

– Het derde verhaal is dat van de arme metgezellen
die bij Profeet (vrede en zegeningen over hem)
kwamen klagen over het feit dat
hun rijke broeders in de Islam geprivilegieerd waren.

Die konden namelijk van hun rijkdom uitgeven op het Pad van Allah (verheven en verheerlijkt is Hij), door bij te dragen aan liefdadigheid en door de kosten van de gemeenschap te dragen, terwijl zij, de arme gezellen, daar niet de middelen voor hadden. De Profeet (vrede en zegeningen over hen) droeg hen op meer Dhikr te verrichten omdat die qua beloning kan oplopen tot de beloning voor wat de rijken uitgaven. Dus gingen de arme gezellen daarmee aan de slag. Maar de rijken hoorden dit en gingen de twee doen: Dhikr èn bijdragen. De arme gezellen kwamen opnieuw bij de Profeet (vrede en zegeningen over hem) en deden hun beklag over het feit dat de rijken nu twee manieren hadden om goede daden ter verrichten en hen dus nog altijd in goede daden konden overtreffen. De Profeet (vrede en zegeningen over hen) erkende dat rijkdom inderdaad een privilege kan zijn dat Allah (verheven en verheerlijkt is Hij) schenkt aan wie Hij wil. Als tegengewicht hiervoor leert de Profeet (vrede en zegeningen over hem ons dat de armen de meerderheid uitmaken van de inwoners van Jennah (het Paradijs) en dat de meerderheid van de bewoners van het Vuur de extreem rijken zijn, en arrogante en gierige mensen.

Dit punt is belangrijk als tegengewicht voor het vorige verhaal. Het maakt niet uit of het gaat om rijkdom op het vlak van kennis of bezit, rijkdom is een beproeving van Allah (verheven en verheerlijkt is Hij) waaraan weinig mensen kunnen weerstaan. In ons leven zijn er veel verhalen te vinden van mensen die door hun rijkdom werden afgeleid en daardoor afdwaalden van het pad van Allah (verheven en verheerlijkt is Hij). Moge Allah (verheven en verheerlijkt is Hij) ons daartegen beschermen en onze godsdienst vrijwaren.

Tijdens het leven van de Profeet (vrede en zegeningen over hem) woonde een man dagelijks het gemeenschappelijke gebed bij, samen met de Profeet (vrede en zegeningen over hem) en hij was standvastig in zijn geloof. Toen vroeg hij op een dag aan de Profeet (vrede en zegeningen over hem) om voor hem te bidden dat hij rijk zou worden (allicht om meer aalmoezen te kunnen geven). Maar de Profeet (vrede en zegeningen over hem) weigerde. De reden hiervoor was dat de Profeet (vrede en zegeningen over hem) wist dat de man zou worden getroffen door fitnah (onrust) als hij rijk zou worden. Maar de man drong aan en bleef het vragen tot de Profeet (vrede en zegeningen over hem) het dan toch deed. Hij werd rijk, maar begon de gemeenschappelijke gebeden over te slaan en kwam uiteindelijk zelfs niet meer naar het Vrijdaggebed!

Allah (verheven en verheerlijkt is Hij) benadrukt dit in de Quran (vers 32 van Surah an Nisaa) dat vertaald ongeveer als volgt klinkt: “Hou je niet bezig met verlangen naar en hopen op wat anderen hebben dat jij niet hebt.” Al gaat het in de context van het vers om het aanvaarden van verschillen in de rol van man en vrouw in de moslim samenleving, toch gaat het hier ook om een algemene regel voor ons, die ons oproept ons te concentreren op hoe we als persoon beter kunnen worden en het beste kunnen maken van wat we hebben.

WAT WE HIERUIT LEREN: Terwijl we ons best doen om kennis te verwerven over onze godsdienst en andere talenten die ons sterker maken, moeten we ook dankbaar zijn en tevreden met wat we bereiken. We kunnen namelijk niet weten of “meer” voor ons misschien niet juist een bron van fitnah zou worden.

– Het laatste verhaal is dat van onze grote imam Abu Hanifa.

Voor hij islamgeleerde werd, was hij een zijdehandelaar die goede zaken kon doen vanwege zijn vele talenten op het vlak van kennis. Al die kennis maakte hem echter niet de Abu Hanifa die wij kennen tot een van zijn vrienden zijn talenten opmerkte en hem voorstelde om met die intelligentie kennis van de Islam te verwerven. Bovendien duurde het ook nog een tijdje eer de imam ontdekte welk kennisgebied van de Islamitische wetenschappen hem het best lag en hij uiteindelijk koos voor de Fiqh (Islamitische jurisprudentie), waarin hij zo uitblonk.

WAT WE HIERUIT LEREN: Je hoeft anderen niet te imiteren. Dompel jezelf onder in een goede omgeving: het verwerven van kennis en Dawah. Daar zal je je eigen plekje ontdekken van waaruit je de Islam en de mensheid kan dienen, insh’Allah (als God het wil).

Allah (verheven en geprezen is Hij) kent ons beter dan we onszelf kennen. Hij kende ons al terwijl we nog embryo’s in ontwikkeling waren, in de schoot van onze moeder. Hij weet wat genoeg is voor ons en ook dat waardoor we onze grenzen te buiten zouden gaan. Hij geeft ieder van ons de voorzieningen die het best bij ons passen. Laten we ons daarom concentreren op hoe we beter kunnen worden met de middelen die we hebben. En laten we ons best doen om Hem tevreden te stellen in plaats van te piekeren over het resultaat. We moeten focussen op wat Allah (verheven en verheerlijkt is Hij) behaagt. Elk ander doel is slechts een middel om dit doel te bereiken. Een man deed zijn beklag bij zijn leraar omdat hij geen Khushoo (concentratie) had tijdens het gebed terwijl hij zo hard probeerde om zijn Khushoo te verbeteren. Zijn leraar gaf hem deze parel van wijsheid waar we allemaal van kunnen leren. Hij zei hem: “Je zal nooit Khushoo in je gebed bereiken tenzij je Allah (verheven en verheerlijkt is Hij) gaat aanbidden in plaats van je Khushoo.”

En Allah weet het best

Oorspronkelijke titel “ON INHERENT AND ACQUIRED QUALITIES IN DAWAH”
Meer hierover op http://www.islamicity.com/articles/Articles.asp?ref=SW1211-5325#sthash.irExIYAP.dpufV

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Muslim zijn is... en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.