Onduidelijke Verzen en ons geloof

In zijn Ramadanserie van dit jaar (2018) gaat Ustadh Nouman Ali Khan dieper in op Surah Ale Imran (Surah 3). Wat hier volgt, haal ik uit zijn bespreking van Ayah’s 7 t.e.m. 9, over duidelijke Ayahs in de Quran en Ayahs die meer uitleg vereisen. 

Twee zaken wil ik hieruit onthouden en met je delen

1 / Mijn houding tegenover de Quran

Elke Ayah houdt uiteraard heel wat diepe en verborgen schatten in, dat bewijst de massa materiaal op bayyinah.tv wel. Maar wanneer er bijvoorbeeld een voorval wordt verteld, is het meteen duidelijk wat er gebeurt. Dat zijn eenduidige Ayahs.

Waar het ons nu om gaat zijn verzen
die vragen oproepen, die uitleg behoeven
.

Eerst en vooral staan die niet vast. Een voorbeeld maakt dit duidelijk. Wanneer Allah het heeft over onze schepping in stadia, en dat één daarvan Alaq is, zullen er ten tijde van de Openbaring wel een paar hun wenkbrauwen hebben gefronst… maar nu weet het kleinste kind hoe een foetus er uit ziet!
Bovendien stelden de Sahaba hier geen vragen bij. Het was iets dat ze niet begrepen, maar het kwam van Allah en dus geloofden ze erin. Punt. Allah verwijt de mensen die net op dié Ayahs springen en proberen ze uit te spitten, dat ze een neiging tot valsheid hebben. Je zal merken dat vooral ex-moslims en islamhaters zich hiermee bezig houden en daarom waarschuwt Allah ons.

Mag je dan geen vragen stellen bij de Quran?
Tuurlijk wel. Dat moet zelfs! Allah zelf vraagt zo vaak: “Denken ze dan niet na?” en van nadenken komt vragen stellen. Alleen leren we hier hoe we onze vragen moeten stellen: ze moeten ons als mens en moslim helpen groeien. Heb je een vraag, ga dan naar iemand die meer weet dan jij en stel ze. Een wijze persoon, die zoals Allah zegt “stevig in kennis gegrondvest” is, kan het onderscheid voor je maken en zal op je verstandige vragen antwoorden… en de onzinnige gewoon negeren, en zeggen: “Wij geloven erin. Alles is van onze Heer.” (De Edele Quran 3:7)

Dan word ik toch wel bang!
Hoe weet ik of mijn vraag terecht is of duidt op een probleem in mijn hart, in mijn geloof? Allah staat al klaar om ons te helpen en geeft ons de woorden om te vermijden dat we afglijden naar die lelijke toestand. 

Rabbanaa Laa tuzigh quloobanaa

En zo komen we bij het tweede punt dat ik hieruit wil onthouden.

2/ Leiding is geen constante 

In de Du’a zeggen we “nadat U ons geleid heeft” met “ba’da idh hadeitanaa”. De IDH verwijst naar een heel specifiek moment in de tijd. De Du’a suggereert dus dat we ooit al leiding ontvingen en dat we ons bewust zijn van dat moment.
Ik ben vast niet de enige die soms verzucht: “Mijn relatie met Allah en met het gebed is de laatste tijd zo flauw. Ik wou dat ik me weer zo sterk voelde als toen…” Dàt is die IDH.

Laa Tuzigh Quloobana

Het is goed er heimwee naar te hebben, want dan vraag je aan Allah om die leiding te mogen behouden, om méér leiding. In deze Du’a maar ook … voel je hem komen?

Inderdaad, in de Salaah, met de Faatiha.

Vijf keer per dag lopen we terug naar Allah: Geef me leiding! En zelfs in het gebed zelf vragen we alweer in de volgende rakah om nieuwe leiding, om meer leiding. Waarom?
Kennis, daar kan je veel van hebben. Je kan de Quran en andere boeken uit het hoofd leren, je kan zo voor de vuist honderden fatwa’s naar iemands hoofd slingeren, je kan exact weten hoe lang of kort je broek of hijaab moet zijn, maar zonder leiding doet het niets. Er zijn ongelovigen die Quranstudies doceren!
Kennis wordt pas zinvol als ze door Leiding van Allah in de juiste banen wordt geleid.

Laten we in deze maand van de Quran
de weg terug vinden naar de Bron
van alle Leiding en Wijsheid.
Mogen we eruit putten en er zo van houden
dat we blijven terugkeren voor meer.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Muslim zijn is..., Quran - onze gids en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.